| 34069 |
muntige koe |
losse koe:
lǫsǝ [koe] (L416p Opglabbeek),
muntige koe:
møntegǝ [koe] (L416p Opglabbeek)
|
Koe die men een tijdlang vrij wil houden en daarom niet laat dekken als ze tochtig is. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 28]
I-11
|
| 18418 |
muts: algemeen |
muts:
Voor een oude vrouw.
mɛts (L416p Opglabbeek),
pots:
pots (L416p Opglabbeek),
Alpin.
pots (L416p Opglabbeek)
|
muts, hoofddeksel zonder klep of stijve rand [klots, koetsj, pars] [N 25 (1964)] || pet, muts, klak [RND]
III-1-3
|
| 33627 |
mutsaard, houtmijt |
mutterdenmijt:
ps. (bij benadering) omgespeld volgens Frings.
meͅtərtəmēͅi̯t* (L416p Opglabbeek),
mutterdmijt:
metterdmiet (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
houtmijt, stapel takkebossen [N 05A (1964)] || houtmijt, stapel takkenbossen [N 27 (1965)]
I-7
|
| 30091 |
muur |
muur:
mōr (L416p Opglabbeek)
|
Uit diverse materialen, bijvoorbeeld baksteen of beton, opgetrokken bouwwerk ter afscheiding of ter ondersteuning. In dit en de volgende lemmata wordt onder een 'muur' vooral een uit bakstenen samengestelde afscheiding verstaan. Het woord 'wand' wordt in het onderzoeksgebied meestal gebruikt voor een uit verticale en horizontale balken samengestelde muur die vervolgens met vlechtwerk of metselwerk wordt opgevuld. Zie ook de paragraaf over het vak- en vlechtwerk. Worden in een gebouw een of meer kelders aangebracht, dan worden de muren die de kelder omsluiten geheel van harde metselsteen en waterdichte mortel opgetrokken. Een muur die boven de grond wordt opgemetseld, noemt men een 'opgaande muur'. Bij de muren van gebouwen onderscheidt men buiten- en binnenmuren en de voor-, zij- en achtergevel, de muren die respectievelijk de voorzijde, de zijkant en de achterzijde van het bouwwerk vormen. [N 31, 32a; S 25; L 1 a-m; L 6, 41b; L 12, 5; monogr.; Vld]
II-9
|
| 24506 |
muurbloem |
grifiaat:
grifioat (L416p Opglabbeek),
kernoffel:
kernòffel (L416p Opglabbeek),
vlierbloem:
-
vleerbloem (L416p Opglabbeek)
|
muurbloem || muurbloem (fr. giroflée) || muurbloempje (fr. giroflée)
III-4-3
|
| 23492 |
muurkapelletje |
nis:
nis (L416p Opglabbeek)
|
Een kastje of kleine nis, aangebracht tegen een muur en voorzien van een beeld of relikwie. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 30205 |
muurplaat |
muurplaai:
mōrplaj (L416p Opglabbeek),
mōrplāj (L416p Opglabbeek)
|
Zie kaart. De plank of balk waarmee de buitenmuur aan de bovenzijde wordt afgedekt en waarop het dakgebint rust. Muurplaten worden met behulp van ankers aan de muur bevestigd. Zie ook afb. 49b. Zie voor het woorddeel -worm in het woordtype onderworm ook het lemma 'Gording'. [N 4A, 14g; N 54, 156; monogr.; div.]
II-9
|
| 30178 |
muurstijlen |
stijlen:
stīlǝ (L416p Opglabbeek)
|
De verticale balken van het vakwerk. Zie ook afb. 46 en 47. [N 4A, 52a; monogr.]
II-9
|
| 26400 |
naaf |
dom:
dom (L416p Opglabbeek),
doŋ (L416p Opglabbeek),
naaf:
nāf (L416p Opglabbeek)
|
De ronde blok in het midden van het wiel waardoor de as steekt en dat met de velg verbonden is via de spaken. Ter versterking worden er naafbanden rond aangebracht. Zie ook de lemmata middennaafbanden, muilband en achternaafband in II.11. [N 17, 58, 40, 50b; N G, 43; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; L 20, 20a; L 39, 21; A 4, 20a; monogr.]
I-13
|
| 31581 |
naafbus |
bus:
be̜s (L416p Opglabbeek)
|
De metalen bus in de naaf van het karwiel die om het uiteinde van de karas draait. Het plaatsen van de naafbus in de dom werd in Q 113 bussen (b0sd) genoemd. Dit werk werd doorgaans door de wagen- of radmaker gedaan. Zie ook afb. 214-215. [N G, 43b; N 17, 59; JG 1a; JG 1b; L 39, 22; monogr.]
II-11
|