| 28708 |
naaien |
naaien:
nęjǝ (L416p Opglabbeek),
nęjǝn (L416p Opglabbeek),
nīǝ (L416p Opglabbeek),
nɛ̄jǝ (L416p Opglabbeek)
|
Algemene benaming voor naaien. Informanten uit P 119, P 188 en Q 77 merken op dat de benaming lappen ouder is dan naaien. [N 62, 1a; N 62, 1d; A 2, 70; A 37, 1c; L 31, 46; Gi 1.IV, 12; MW; RND; Wi 40; S 25; monogr.]
II-7
|
| 28850 |
naaigaren |
klosgaren met paardje:
klosgaren met paardje (L416p Opglabbeek)
|
Garen waarmee men naait. [N 59, 6a; N 62, 57]
II-7
|
| 28891 |
naaimachine |
kleermakersmachine:
kleermakersmachine (L416p Opglabbeek)
|
Werktuig om machinaal mee te naaien. [N 59, 17a; monogr.]
II-7
|
| 28711 |
naaister |
naaister:
nęjstǝr (L416p Opglabbeek)
|
De algemene benaming voor een vrouw die als beroep heeft het verrichten van naaiwerk en het vervaardigen van kledingstukken. [N 59, 196; N 62, 1b; N 62, 1d; MW; Wi 18; monogr.]
II-7
|
| 28734 |
naaiwerk |
naaiwerk:
nęjwęrk (L416p Opglabbeek)
|
Werk dat bestaat uit naaien of dat wat men bezig is te naaien. [N 62, 1e]
II-7
|
| 28856 |
naaizijde |
cordonnet:
cordonnet (L416p Opglabbeek)
|
Zijden naaigaren dat oorspronkelijk vervaardigd werd van zuiver zijde. Meestal werkt men nu met zijde die gemaakt is van afvalzijde met katoen (Papenhuyzen III, pag. 12). [N 59, 7a; N 59, 7c; N 62, 57]
II-7
|
| 18184 |
naakt |
bloot:
blūūt (L416p Opglabbeek),
blyt (L416p Opglabbeek),
naaks:
nááks (L416p Opglabbeek)
|
bloot [ZND A2 (1940sq)] || zonder kleren, onbedekt [naakt, nakst, nakend, naaks, naks, bloot] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 26113 |
naald |
naald:
nǭlt (L416p Opglabbeek),
naalde:
nǭl (L416p Opglabbeek)
|
De naald is een draad gehard staal, voorzien aan de ene zijde van een spitse punt en aan de andere zijde van een oog om de draad door te steken. De kleermaker of naaister gebruikt ze om te naaien, te stoppen of te borduren. Men kent naalden in verschillende lengtes en diktes. De keuze van de naald hangt af van het beoogde doel, de draad en dikte van de draad en de dikte van de stof (Gerritse, pag. 26 en 27). [N 59, 11a; N 62, 49a; N 62, 49c; L 5, 2; L 8, 29; L B1, 76; Gi 1.IV, 13a; MW; Wi 6; S 25; monogr.]
II-7
|
| 23814 |
naampatroon |
patroon (<fr.):
patruun (L416p Opglabbeek),
petrūūn ván (L416p Opglabbeek)
|
Een naampatroon, de heilige naar wie men is genoemd [namenspatroeën]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23529 |
naar de mis gaan |
mis horen:
mes hiere (L416p Opglabbeek),
naar de mis gaan:
noo de mes guun (L416p Opglabbeek)
|
De mis bijwonen, de mis horen [mès huëre, mès bèèje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|