| 28582 |
nauwelijks stekende bijen |
zege bijen:
zɛ̄gǝ bi-jǝ (L416p Opglabbeek)
|
Volk dat nauwelijks steekt. Het ene ras is zachtaardiger dan het andere. Dit kan een gevolg zijn van veredeling op zwermtraagheid en krachtig broeden. Deze twee factoren verminderen de lust tot steken. [N 63, 73e; Ge 37, 126; monogr.]
II-6
|
| 18909 |
nauwgezet; nauwgezet persoon |
correct:
héés krék (L416p Opglabbeek),
juste:
zjust (L416p Opglabbeek)
|
Hij is op zijn punt - sekuur (a.gezegd v.e. persoon; b.v.e. werk) [RND]
III-1-4
|
| 17766 |
navel |
navel:
náávəl (L416p Opglabbeek)
|
Navel: het litteken van de navelstreng midden op de buik (nakker, nagel, navel). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 20282 |
navelbandje |
navelbandje:
nāvəlbeͅntše (L416p Opglabbeek)
|
navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 33015 |
nazaaien, bijzaaien |
herzaaien:
hɛrzɛi̯ǝ (L416p Opglabbeek)
|
Als het gewas slecht opkomt -dit gebeurt met zaad van slechte kwaliteit of bij grote vochtigheid-, moet er worden nagezaaid. [JG 1a; monogr.]
I-4
|
| 20326 |
nazaat |
afstammeling:
ááfstàmməling (L416p Opglabbeek)
|
afkomst, afstamming; bloedverwantschap in neerdalende lijn [komaf, tuk, afkomst] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 20361 |
neef |
neef:
nééf (L416p Opglabbeek),
néév (L416p Opglabbeek)
|
neef [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 28540 |
neerstrijken op de vliegplank |
dalen:
dalen (L416p Opglabbeek)
|
Het neerstrijken van de bij op de vliegplank van korf of kast, wanneer ze na een honingvlucht thuiskomt. [N 63, 45]
II-6
|
| 24347 |
neet, luizenei |
neet:
neet (L416p Opglabbeek),
net (L416p Opglabbeek)
|
luize?i || neet, luize-ei [ZND A1 (1940sq)]
III-4-2
|
| 18042 |
negenoog |
negenoog:
nīēgəuig? (L416p Opglabbeek)
|
Bloedzweer: pijnlijke, rode, meestal in de nek of oksel optredende huidontsteking (kwader, negenoog). [N 84 (1981)]
III-1-2
|