e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
nieuwe maan nieuw licht: nuuwléégt (Opglabbeek), nuw leecht (Opglabbeek) schijngestalte van de maan: nieuwe maan [donkere maan] [N 81 (1980)] III-4-4
nieuwjaar nieuwjaar: nuujôr (Opglabbeek), nieuwjaarsdag: nŭŭjaorsdāāg (Opglabbeek) 1 januari, de eerste dag van het nieuwe jaar [ni-jjaor]. [N 96C (1989)] III-3-2
nieuwjaar wensen nieuwjaar wensen: nuujôr wënse (Opglabbeek), nieuwjaarsdag wensen: nŭŭjaorsdāāg winse (Opglabbeek) Nieuwjaar wensen, Nieuwjaar winnen, afwinnen. [N 96C (1989)] III-3-2
nieuwsgierig nieuwsgierig: nûwsjiêrig (Opglabbeek) nieuwsgierig III-1-4
nieuwsgierig kijken gapen: gapə (Opglabbeek), nieuwsgierigen: i.e. nieuwsgierigen - (als ww.? RK).  nejšīregə (Opglabbeek) kijken: nieuwsgierig kijken [blieke, spitsmoele] [N 10 (1961)] III-1-1
nieuwsgierigaard nieuwsgierige naas: ein nûwsjiêrige naas (Opglabbeek) een nieuwsgierig iemand III-1-4
nijdnagel nagelring: nagəlreŋk (Opglabbeek), nijdnagel: nītnāgəl (Opglabbeek) ik heb een nijdnagel (waar de huid langs de vingernagel inscheurt) [ZND 31 (1939)] || stroopnagel (ingescheurd vlees aan de nagelrand) [N 10b (1961)] III-1-2
nijptang pitstang: petstaŋ (Opglabbeek), trektang: tręktaŋ (Opglabbeek) In dit lemma zijn de benamingen opgenomen voor tangen van diverse vorm en grootte die vooral dienen om spijkers uit trekken, maar vaak ook gebruikt worden om draadnagels of metaaldraad af te knippen. Zie ook afb. 144. Uit het Leuvens materiaal L B2, 228-229 blijkt, dat het woordtype trektang vooral de benaming is voor een vrij grote tang waarmee spijkers kunnen worden uitgetrokken. [N 33, 180; N 64, 47b; L B2, 228-229; monogr.; div.] || In het algemeen een tang die vooral dient om spijkers uit te trekken en metaaldraad, spijkers, dun plaatmateriaal, e.d. af te knippen. Zie ook afb. 95 en het lemma ɛnijptangɛ in wld II.11, pag. 92-93. Het woordtype vlechttang is de benaming voor een nijptang die wordt gebruikt bij het verwerken van betonijzer. Deze tang heeft kleinere bekken en langere armen dan de nijptang. Zie ook het lemma ɛbetonijzerɛ in Wld II.9, pag. 47.' [N 53, 142a-c; N 53, 143; monogr.] II-11, II-12
nikkelgeld nikkelen: ps. omgespeld volgens Frings.  nə nekələ (Opglabbeek), nikkelgeld: ps. omgespeld volgens Frings.  nekəlgeͅlt (Opglabbeek, ... ) Inventarisatie uitdrukkingen voor: muntgeld, klinkend geld in het algemeen [geen bankbiljetten dus] [speeses?] [N 21 (1963)] || nikkelen of witmetalen geldstukken [N 21 (1963)] III-3-1
niknak niknakje: neknakskəs (Opglabbeek) Koekjes in de vorm van speelgoedfiguurtjes, voor kinderen (niknak?) [N 16 (1962)] III-2-3