| 25172 |
nieuwe maan |
nieuw licht:
nuuwléégt (L416p Opglabbeek),
nuw leecht (L416p Opglabbeek)
|
schijngestalte van de maan: nieuwe maan [donkere maan] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 22319 |
nieuwjaar |
nieuwjaar:
nuujôr (L416p Opglabbeek),
nieuwjaarsdag:
nŭŭjaorsdāāg (L416p Opglabbeek)
|
1 januari, de eerste dag van het nieuwe jaar [ni-jjaor]. [N 96C (1989)]
III-3-2
|
| 22616 |
nieuwjaar wensen |
nieuwjaar wensen:
nuujôr wënse (L416p Opglabbeek),
nieuwjaarsdag wensen:
nŭŭjaorsdāāg winse (L416p Opglabbeek)
|
Nieuwjaar wensen, Nieuwjaar winnen, afwinnen. [N 96C (1989)]
III-3-2
|
| 19010 |
nieuwsgierig |
nieuwsgierig:
nûwsjiêrig (L416p Opglabbeek)
|
nieuwsgierig
III-1-4
|
| 17724 |
nieuwsgierig kijken |
gapen:
gapə (L416p Opglabbeek),
nieuwsgierigen:
i.e. nieuwsgierigen - (als ww.? RK).
nejšīregə (L416p Opglabbeek)
|
kijken: nieuwsgierig kijken [blieke, spitsmoele] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 19177 |
nieuwsgierigaard |
nieuwsgierige naas:
ein nûwsjiêrige naas (L416p Opglabbeek)
|
een nieuwsgierig iemand
III-1-4
|
| 18122 |
nijdnagel |
nagelring:
nagəlreŋk (L416p Opglabbeek),
nijdnagel:
nītnāgəl (L416p Opglabbeek)
|
ik heb een nijdnagel (waar de huid langs de vingernagel inscheurt) [ZND 31 (1939)] || stroopnagel (ingescheurd vlees aan de nagelrand) [N 10b (1961)]
III-1-2
|
| 30857 |
nijptang |
pitstang:
petstaŋ (L416p Opglabbeek),
trektang:
tręktaŋ (L416p Opglabbeek)
|
In dit lemma zijn de benamingen opgenomen voor tangen van diverse vorm en grootte die vooral dienen om spijkers uit trekken, maar vaak ook gebruikt worden om draadnagels of metaaldraad af te knippen. Zie ook afb. 144. Uit het Leuvens materiaal L B2, 228-229 blijkt, dat het woordtype trektang vooral de benaming is voor een vrij grote tang waarmee spijkers kunnen worden uitgetrokken. [N 33, 180; N 64, 47b; L B2, 228-229; monogr.; div.] || In het algemeen een tang die vooral dient om spijkers uit te trekken en metaaldraad, spijkers, dun plaatmateriaal, e.d. af te knippen. Zie ook afb. 95 en het lemma ɛnijptangɛ in wld II.11, pag. 92-93. Het woordtype vlechttang is de benaming voor een nijptang die wordt gebruikt bij het verwerken van betonijzer. Deze tang heeft kleinere bekken en langere armen dan de nijptang. Zie ook het lemma ɛbetonijzerɛ in Wld II.9, pag. 47.' [N 53, 142a-c; N 53, 143; monogr.]
II-11, II-12
|
| 21643 |
nikkelgeld |
nikkelen:
ps. omgespeld volgens Frings.
nə nekələ (L416p Opglabbeek),
nikkelgeld:
ps. omgespeld volgens Frings.
nekəlgeͅlt (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek,
L416p Opglabbeek)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: muntgeld, klinkend geld in het algemeen [geen bankbiljetten dus] [speeses?] [N 21 (1963)] || nikkelen of witmetalen geldstukken [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20752 |
niknak |
niknakje:
neknakskəs (L416p Opglabbeek)
|
Koekjes in de vorm van speelgoedfiguurtjes, voor kinderen (niknak?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|