e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
oksaal doksaal: doksaal (Opglabbeek), oksaal: ej šjyən oͅksāl (Opglabbeek) Een schoon (d)oksaal (waar het orgel zich bevindt in de kerk). [ZND 39 (1942)] || Het oksaal, de galerij boven het kerkportaal, waar het orgel staat en het zangkoor zingt [oksaal oksaol, koor, zangerskoor, zangzolder?]. [N 96A (1989)] III-3-3
olie boomolie: een ander woord voor olijfolie  buimulie (Opglabbeek), olie: olie (Opglabbeek), ulie (Opglabbeek), ūūlĭĕ (Opglabbeek), salade-olie: slaaiulie (Opglabbeek), smout: smout (Opglabbeek), smòwt (Opglabbeek) boomolie || olie; Hoe noemt U: De vette vloeistof die b.v. gebruikt wordt bij het aanmaken van sla of het braden van vlees (smout, olie) [N 80 (1980)] || slaolie III-2-3
olie slaan smout slaan: smaw.t slǭ.n (Opglabbeek) In een oliemolen olie persen uit geplette en verwarmde zaden. Zie ook de lemmata ɛvoorslagblokɛ en ɛheiɛ.' [Jan 17; Jan 279; Coe 15 add.; JG 1b, add.] II-3
oliebol smoutbol: gebakken in uit zaad geslagen olie  smautbol (Opglabbeek) oliebol III-2-3
oliekoek smoutkoek: smautkook (Opglabbeek), smawtkōk (Opglabbeek) In raapolie gebakken ronde koek van meel, krenten en eieren (oliekoek?) [N 16 (1962)] || oliekoek III-2-3
olielamp olielamp: y(3)̄lilamp (Opglabbeek), olielamp  y(3)̄lilamp (Opglabbeek) lamp/ luchter; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] III-2-1
oliemolen slagmolen: slā.x[molen] (Opglabbeek), smoutmolen: smaw.t[molen] (Opglabbeek), smawt[molen] (Opglabbeek) Wind-, water- of rosmolen waarin uit zaden olie wordt geslagen. Het zaad wordt daartoe gekneusd met behulp van de zgn. kollergang bestaande uit twee verticaal geplaatste loperstenen. Het geplette zaad wordt in een pan verhit en vervolgens in wollen zakjes (builen) geborgen, waarna de builen in leren omslagen met een paardeharen voering gelegd worden. Het op deze wijze verpakte warme zaadmeel wordt daarna tweemaal geperst. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [JG 1a; JG 1b; Vds 15; Jan 15; Coe 5; Grof 5; monogr.; N D add.] II-3
omboorden afbiezen: afbiezen (Opglabbeek), afboorden: āfbȳrǝ (Opglabbeek) Omboorden in het algemeen oftewel het insluiten van een rafelkant met een enkele of dubbele bies en in het bijzonder het met en lint afzetten van een colbert. [N 59, 86; N 62, 17; MW] II-7
omheinde wei afgemaakte wei: āfgǝmāktǝ węi̯ (Opglabbeek) Een met prikkeldraad of anderszins afgemaakte wei. Een groot aantal opgaven was wei. Deze opgaven zijn in dit lemma niet gedocumenteerd. Voor de fonetische documentatie van wei zie men lemma 1.3.6 ɛweiɛ.' [N M, 4b; L 32, 45; monogr.] I-8
omheinen afmaken: āfmākǝ (Opglabbeek), afpalen: āfpǭlǝ (Opglabbeek), afspannen: āfspanǝ (Opglabbeek), toemaken: tȳmākǝ (Opglabbeek) Iets omgeven met een omheining, meest van toepassing op een weiland. [N 14, 63; L 32, 45; A 25, 9; Gwn 16, 11; Vld.; monogr.] I-8