| 19711 |
omheining |
rek:
ręg (L416p Opglabbeek),
tuin:
tūn (L416p Opglabbeek)
|
De omheining in het algemeen. [N 14, 62; N 14, 67; S 11, 13; L 19B, 5a; A 25, 5; RND 8, 20; Gwn 16, 11; monogr.]
I-8
|
| 17850 |
omhooggaan |
naar boven gaan:
noa buuve goan (L416p Opglabbeek)
|
Omhooggaan, naar boven gaan (rijzen, (op)stijgen, omhoog gaan) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 33792 |
omhulsel van het teellid |
koker:
kȳǝkǝr (L416p Opglabbeek)
|
Schede van de roede. [JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 28617 |
omjagen |
omjagen:
omjagen (L416p Opglabbeek)
|
Het omkloppen van twee ongelijke volken. Beide volken worden uit hun woning gejaagd, geklopt, elk in een lege korf of jaagkorf. Daarna wordt het zwakke volk in de woning van het sterke gedaan en vice versa, waarop de korven weer op hun plaats in de stal worden gezet. Het resultaat is dat de bijen van het sterke volk naar de korf van het zwakke vliegen (Gelens 1963, pag. 23). [N 63, 93b; N 63, 93c; monogr.]
II-6
|
| 18429 |
omslag [wld ii.7, p.82] |
omslag:
omsjlaag (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt U de omslag? [N 62 (1973)]
III-1-3
|
| 18548 |
omslag van de broek |
omslag:
zandloper (?)
omslag (L416p Opglabbeek)
|
de omslag van de broek [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 18188 |
omslagdoek (alg.) |
plag:
pla.g (L416p Opglabbeek)
|
schouderdoek, wollen ~ of omslagdoek, soms ook wel over het hoofd gedragen [neus-, nuisdook, nuizek, nuzzing, plak, plaggen, sjelon, falie] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18708 |
omslagdoek onder mantel of jak |
foulard (fr.):
flār (L416p Opglabbeek)
|
omslagdoek die onder mantel of jak wordt gedragen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18715 |
omslagdoek over mantel of jak |
plag:
pla.g (L416p Opglabbeek)
|
omslagdoek die over mantel of jak wordt gedragen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 20142 |
omslagluier |
windel:
wénnəl (L416p Opglabbeek)
|
luiers; het kind wordt in de luiers gedaan [ZND 01u (1924)]
III-2-2
|