| 28679 |
ontzegelmes |
ontzegelmes:
ontzegelmes (L416p Opglabbeek)
|
Bepaald soort mes waarmee men de wasdeksels of zegels van de raten haalt, voordat men gaat slingeren. Een door electriciteit of stoom voortdurend op temperatuur gehouden ontzegelmes voldoet het beste. [N 63, 124b; N 63, 124d; Ge 37, 170; monogr.]
II-6
|
| 28680 |
ontzegelvork |
ontzegelvork:
ontzegelvork (L416p Opglabbeek)
|
Bepaald soort vork, zo breed mogelijk met vele, smalle tandjes. Bij het ontzegelen wordt hij bij voorkeur warm gebruikt. Na het ontzegelen van elk raatvlak wordt hij in een bak heet water geplaatst. Voordat men gaat ontzegelen, slaat men het water even eraf. [N 63, 124c; N 63, 124b; N 63, 124d; Ge 37, 171; monogr.]
II-6
|
| 17927 |
onvast ter been (zijn) |
duizelachtig:
disəleͅxtex (L416p Opglabbeek)
|
lopen: onvast ter been [sporrig] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 28651 |
onverzegelde honing |
losse honing:
losse honing (L416p Opglabbeek)
|
Honing uit een niet verzegelde raat. [N 63, 114b; N 63, 114a; monogr.]
II-6
|
| 34310 |
onvruchtbaar vrouwelijk varken |
kween:
kwēn (L416p Opglabbeek)
|
Door organische afwijkingen onvruchtbaar vrouwelijk varken. [N 76, 10; JG 1c, 2c]
I-12
|
| 34456 |
onvruchtbare geit |
springbok:
spręŋbok (L416p Opglabbeek),
steenbok:
stē̜i̯nbok (L416p Opglabbeek),
stęi̯nbuk (L416p Opglabbeek)
|
De antwoorden kunnen zowel op een onvruchtbare geit in het algemeen duiden als op een onvruchtbare vrouwelijke geit. [N 19, 72; JG 1a, 1b; N 77, 84; monogr.]
I-12
|
| 33682 |
onvruchtbare grond |
slechte akker:
slɛxtǝn akǝr (L416p Opglabbeek)
|
Grond van slechte kwaliteit. De oorzaak kan verschillend zijn. Het gevolg is echter een slecht landbouwproduct. [N 27, 31; N 27, 29; N 11, 2d; N 11, 2f; A 10, 4; N 6, 33a; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 34151 |
onvruchtbare koe |
kween:
kwē̜n (L416p Opglabbeek),
kwīn (L416p Opglabbeek),
kwɛ̄.nt (L416p Opglabbeek),
melkkoe:
mɛlku (L416p Opglabbeek)
|
In dit lemma duiden de benamingen niet alleen op een koe die bij de dekking niet is bevrucht maar ook op een rund dat halfslachtig ter wereld is gekomen dat wil zeggen half stier en half koe is. Ook tweeling-runderen zijn vaker onvruchtbaar. [N 3A, 102; N 3A, 103; N 3A, 150h; N 3A, 150i; JG 1a, 1b; A 4, 14; L 20, 14; monogr; add. uit N C]
I-11
|
| 25119 |
onweersbui |
donderschoer:
ein dòndersjoor (L416p Opglabbeek),
hemelschoer:
ein hemelsjoor (L416p Opglabbeek),
hommelschoer:
hommelschoor (v.)
homəlšōr (L416p Opglabbeek),
onweersbijs:
LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).
ein ònwèèrsbi-js (L416p Opglabbeek),
onweerschoer:
ūnwēͅrsšōͅr (L416p Opglabbeek)
|
donderbui, onweersbui || onweersbui met veel regen en wind [schoer, donderschoer] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25176 |
onweerx |
onweer:
ūnwēͅr (L416p Opglabbeek),
onweer (o.)
onwēͅr (L416p Opglabbeek)
|
onweer [N 22 (1963)]
III-4-4
|