| 17966 |
op de schouder zitten |
op de puzak zitten:
opə pyzak zitə (L416p Opglabbeek),
puzakken:
pyzakə (L416p Opglabbeek)
|
rug: op de rug zitten [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17949 |
op de tenen lopen |
op de toppen lopen:
oͅpə tepə løͅypə (L416p Opglabbeek)
|
lopen: op zijn tenen lopen [op zn vurvoete] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 32725 |
op de voor |
op de voor:
ǫp ǝ [voor] (L416p Opglabbeek)
|
Het paard dat voor een voetploeg gespannen is gaat "op de voor": het loopt vlak langs de vorige ploeggeul, op de strook die nog niet is omgeploegd. Op de voor loopt ook het linker paard (van achteren gezien) als de ploeg door een tweespan getrokken wordt. Doorgaans zijn de termen voor dit begrip ook toepasselijk op het linker voorwiel van een karploeg. [JG 1a; N 11A, 141c; monogr.]
I-1
|
| 33218 |
op een hoop gooien |
op een mijt schudden:
ǫp ǝn mīt še.dǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het uitstorten van de aardappelen in de kuil. [N 12, 29; monogr.]
I-5
|
| 29091 |
op een steeltje zetten |
op een halsje:
op een halsje (L416p Opglabbeek)
|
De knoop op een steeltje zetten. Men moet de knoop niet plat aannaaien, doch men dient een afstand tussen knoop en stof van ± 1/2 - 1 cm te houden. Hierdoor wringt de knoopt niet en wordt er ruimte voor de stofdikte opengelaten. [N 59, 136]
II-7
|
| 17934 |
op een sukkeldrafje lopen |
met schokjes lopen:
mt šokskǝs lő̜u̯pǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 8, 81a, 81d en 83]
I-9
|
| 33013 |
op en af -zaaien |
op en af:
ǫp ɛn ā.f (L416p Opglabbeek)
|
Zaaien terwijl men de akker op en af gaat. Andere boeren, die handiger zijn en zowel met de linker- als met de rechterhand kunnen zaaien, gaan de akker op en af. [JG 1a; monogr.]
I-4
|
| 32922 |
op heukelingen zetten, zwelen |
heukelen:
hiǝ.kǝlǝ (L416p Opglabbeek),
op heukeltjes zetten:
ǫp [heukeltjes] ˲zętǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het bijeenwerken van de langwerpige heuveltjes tot de kleinste soort hopen: heukelingen of heukels. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de heukeling, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van (...) verwezen naar de woordtypen van het lemma ''heukeling''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''heukeling''. In dit en in de volgende lemma''s komen het woordtype opper en de afleidingen daarvan, zoals opperen, voor. Het type kent een achttal mogelijke typevarianten die onderling geen voorkeursvolgorde hebben: opper, upper, oppel, uppel, hopper, hupper, hoppel, huppel. In dit en in de volgende lemma''s zijn de vormen met en zonder begin-h als aparte woordtypen behandeld; de andere vormen staan steeds in dezelfde volgorde. De kaarten 39, 41 en 43, respectievelijk "op heukelingen zetten", "op hopen zetten" en "op oppers zetten" hebben alle drie dezelfde opbouw, die weer in verband staat met de opbouw van de kaarten 40, 42 en 44: "heukeling", "hoop" en "opper". Voor deze zes kaarten zijn ook dezelfde symbolen voor gelijke opgaven gebruikt. [N 14, 103; JG 1a, 1a, 1c; monogr.]
I-3
|
| 33851 |
op hol slaan |
op (de) loop gaan:
op ǝ lɛ̄i̯p gȳǝn (L416p Opglabbeek)
|
Aan het hollen gaan, niet meer aan het commando gehoorzamen. [JG 1a, 1b; N 8, 81f]
I-9
|
| 33011 |
op maat -zaaien |
op dezelfde voet:
ǫp ǝzɛ.lǝf˱dǝ vōt (L416p Opglabbeek)
|
Men zaait telkens bij het vooruitzetten van dezelfde voet. [JG 1a]
I-4
|