| 32971 |
stengel, steel |
steel:
stīǝ.l (L416p Opglabbeek),
stengel:
stɛŋǝl (L416p Opglabbeek)
|
Stengel, als deel van een plant. [JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 21513 |
sterke / ruwe kerel |
beest:
deͅs to͂ͅch ein ryw bīēst (L416p Opglabbeek),
sterke, een ~:
nə steͅrkə (L416p Opglabbeek)
|
dat is een ruwe kerel [ZND 42 (1943)] || Een sterke kerel [ZND 27 (1938)]
III-3-1
|
| 30005 |
sterke mortel |
cementmortel:
sǝmɛnt[mortel] (L416p Opglabbeek)
|
Mortel voor waterdicht pleisterwerk, bijvoorbeeld voor kelders. Volgens de invuller uit Q 180 werd bij de bereiding ervan Rijnzand gebruikt. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '-(spijs)', '-(specie)', etc. het lemma 'Mortel'. [N 30, 38b]
II-9
|
| 30001 |
sterke trasmortel |
kalkmortel:
kalǝk[mortel] (L416p Opglabbeek)
|
Mortel bestaande uit tras en kalk, volgens de invuller uit Q 35a gebruikt voor waterdicht werk. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '-(spijs)' het lemma 'Mortel'. [N 30, 37b]
II-9
|
| 20323 |
sterven |
creperen:
WBD/WLD
krəpèrə (L416p Opglabbeek),
doodgaan:
dūūtgūūn (L416p Opglabbeek),
kapotgaan:
WBD/WLD
kàpòt gūūn (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt u sterven, gezegd van dieren (kreperen, kapotgaan, doodgaan) [N 83 (1981)] || sterven, doodgaan, hemelen gaan [sjterreve, hiemmelejoaë] [N 96D (1989)]
III-2-2, III-4-2
|
| 25195 |
sterx |
ster:
steͅr (L416p Opglabbeek),
stɛr (L416p Opglabbeek)
|
ster [ZND 07 (1924)], [ZND A1 (1940sq)]
III-4-4
|
| 32238 |
steunhout van het hoogsel |
klammetje:
klɛmkǝ (L416p Opglabbeek)
|
Om de laadruimte van de karbak te vergroten, kunnen er losse hoogsels op de zijwanden geplaatst worden. Aan de zijkanten van de hoogsels zijn daartoe houten balkjes bevestigd die in op de zijwand bevestigde, metalen krammen gestoken kunnen worden. Zie ook afb. 199 en het lemma ɛhoogselɛ in wld I.13, pag. 58.' [JG, 1a]
II-12
|
| 32913 |
steunhoutjes tussen steel en balk |
spanner:
spanǝr (L416p Opglabbeek)
|
Het schuine verbindingstuk tussen de steel en de dwarsbalk van de hooihark, dat ter versteviging van de hark in zijn geheel dient. Vaak ziet men twee van dergelijke steunhoutjes; vandaar de meervoudsvormen in de opgaven. Voor de verscheidenheid aan benamingen, zie ook de opmerking bij de het lemma ''dwarsbalk van de hooihark''. Zie voor de vork- en gaffel-benamingen de toelichting bij het lemma ''steel van de hooihark''. Zie ook afbeelding 11, c. [N 18, 92c]
I-3
|
| 34622 |
steunpaal voor opgeslagen hoogkar |
gaffel:
gafǝl (L416p Opglabbeek),
stijp:
stīp (L416p Opglabbeek)
|
Lange steunpaal welke men plaatst onder de berries van een opgeslagen hoogkar. [N 17, 82]
I-13
|
| 21116 |
stevig, gezegd van voedsel |
straf:
straffə kòst (L416p Opglabbeek)
|
stevig, gezegd van voedsel (straf) [N 91 (1982)]
III-2-3
|