| 28462 |
stomp staan |
afstompen:
afstompen (L416p Opglabbeek)
|
Stomp afwerken van de onderzijde van de raat of raten door de bijen. Deze afstomping wijst erop, dat het bouwen voor het seizoen geëindigd is. Het is een zeker teken van zwermplannen van het volk. [N 63, 16d; N 63, 16c]
II-6
|
| 34075 |
stomphoorns |
rotte hoorns:
rǫtǝ hē̜rǝ (L416p Opglabbeek)
|
Afgebrokkelde of slecht ontwikkelde hoorns. [N 3A, 106c]
I-11
|
| 33419 |
stookgat van de oven |
ovenbakkes:
[oven]bakǝs (L416p Opglabbeek),
ovenmuil:
[oven]myl (L416p Opglabbeek)
|
De benaming voor het stookgat van de oven dat voorzien is van een ijzeren deurtje. Vergelijk het lemma "ovenmond" in aflevering II.1, pag. 71. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) (oven-) het lemma "bakoven" (3.1.3). [N 5A, 79b]
I-6
|
| 33357 |
stookhuis, plaats voor de veevoerkookketel |
bakhuis:
[bakhuis] (L416p Opglabbeek),
ketelhoek:
kiǝtǝlhōk (L416p Opglabbeek),
voerhuis:
vōrhȳs (L416p Opglabbeek),
voerkot:
vōrkǫt (L416p Opglabbeek)
|
De plaats in de stal, of de ruimte vooraan in de stal, waar de veevoerkookketel staat. Soms heeft men geen aparte ruimte voor dit doel en kookt men het veevoer in de bijkeuken. In andere gevallen, zoals in K 358 staat deze ketel meestal buiten, of, zoals vermeld in L 360, heeft men er een apart gebouwtje voor naast de stal. Dikwijls ook kookt men in het bakhuis, waar ook het brood gebakken wordt (L 426), vandaar de frequente (bakhuis)-opgaven; vergelijk de kaart. Zie voor de fonetische documentatie van enkele van deze (bakhuis)-opgaven het lemma "bakhuis" (3.1.2). Zie ook afbeelding 8 bij het lemma "voorstal" (2.2.5). [N 5A, 35c en 60c: L 1, a-m; S 50; monogr.]
I-6
|
| 28911 |
stoomstrijkijzer |
stoomijzer:
stǫjmęjzǝr (L416p Opglabbeek)
|
Strijkijzer met water erin dat tijdens het strijken verdampt tot stoom die uit openingen in de zoolplaat komt, om het strijkgoed te bevochtigen. [N 59, 21d; N 59, 20]
II-7
|
| 31626 |
stoot |
stoot:
stīǝt (L416p Opglabbeek)
|
Het ijzeren plaatje dat bij winterbeslag tegen het uitglijden vóór onder het hoefijzer wordt geplaatst. In P 174, P 224 en Q 182 was de stoot onbekend, in K 353 werden in plaats van een plaatje één of twee schroeven aan de voorzijde van het hoefijzer bevestigd. [N 33, 357; JG 1a; JG 1b; JG 1d; monogr.]
II-11
|
| 28609 |
stootkorf |
stootkorf:
stootkorf (L416p Opglabbeek)
|
Korf die men aan een soort riek of gaffel omhoogsteekt om moeilijk te vangen zwermen door stoten te kunnen pakken. Wanneer een zwerm zich hoog in een boom heeft genesteld, moet men er met een ladder bijklimmen. Ook probeert men door met zand te gooien, water te spuiten of door lawaai te maken de zwerm een andere aanvliegplaats te doen innemen. [N 63, 86a; N 63, 86b; N 63, 86d; N 63, 83]
II-6
|
| 34577 |
stootring |
as:
as (L416p Opglabbeek),
houteren as:
hø̜i̯tǝrǝn as (L416p Opglabbeek),
karas:
karas (L416p Opglabbeek)
|
Verdikking van de as tussen de asarm en het asblok waardoor het wiel op een veilige afstand van het asblok gehouden wordt. De stootring kan met de as worden meegegoten maar er ook als een los element om bevestigd zijn. [N 17, 52 + 54 + add; N 18, 98d + 99; N G, 49a, 53f; JG 1a; JG 1b; JG 1d; JG 2b; L 20, 20a; L 39, 21 + 22; A 4, 20a; Wi 15; monogr.]
I-13
|
| 19397 |
stop |
stop:
stòp (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
Voorwerp dat een wastafel afsluit om te voorkomen dat het water wegloopt (stop, stopsel) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 19698 |
stop voor fles of kruik |
stop:
stoͅp (L416p Opglabbeek)
|
stop (kurk) [ZND A1 (1940sq)]
III-2-1
|