| 18106 |
strontje |
ogenschijter:
yēͅgəšitər (L416p Opglabbeek),
wegeschijter:
dat hoopje (behoefte oorzaak van zweertje) gaan terughalen
wègeschieter (L416p Opglabbeek)
|
hoe heet het zweertje dat soms op het onderste ooglid komt (fr. orgelet) ? [ZND 16 (1934)]
III-1-2
|
| 24384 |
strontvlieg |
strontvlieg:
stroentvleeg (L416p Opglabbeek)
|
strontvlieg: Kent u in uw dialect een woord om een soort van okergele vlieg aan te duiden die op uitwerpselen zit? [N100 (1997)]
III-4-2
|
| 25574 |
strooien |
strooien:
strȳǝn (L416p Opglabbeek)
|
Hooi of stro onder het vee spreiden. [S 36; L 7, 61b; R(s]
I-11
|
| 18623 |
strooien dameshoed |
strooien hoed:
stryjənōt (L416p Opglabbeek)
|
dameshoed, strooien of uit fijne houtvezel vervaardigde ~ [spannen-, boerinnenhoed] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18276 |
strooien hoed |
strooien hoed:
nə stry(3)̄ən hōd (L416p Opglabbeek),
stryjənōt (L416p Opglabbeek)
|
een strooien hoed [ZND 07 (1924)] || hoed, strooien ~ [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 22041 |
strooisel |
strooisel:
strȳǝsǝl (L416p Opglabbeek),
strouwsel:
strou̯sǝl (L416p Opglabbeek)
|
Dat wat in de stal onder het vee wordt gestrooid. Dat kan vers stro zijn maar ook gehakt stro of afval na het wannen van gedorst graan. Verder gebruikte men bladeren uit hagen, eiken- en beukenbos en loof van struiken eveneens als strooisel. [N 6, 10; L 7, 61b; JG 1a, 1b, 2b-1 add.; N 18, 41 add.; monogr.]
I-11
|
| 34278 |
strooisel in de potstal |
blader:
blāi̯ǝr (L416p Opglabbeek),
dennennaalden:
dennennaalden (L416p Opglabbeek),
dɛnǝnō.lǝn (L416p Opglabbeek),
eikenstrooi:
ęi̯.kǝstrou̯i̯ (L416p Opglabbeek),
hei:
hei (L416p Opglabbeek),
hęi̯ (L416p Opglabbeek),
lappen:
lappen (L416p Opglabbeek),
lɛp (L416p Opglabbeek),
naalden:
nǭ.lǝ (L416p Opglabbeek),
nǭ.lǝn (L416p Opglabbeek),
nǭlǝ (L416p Opglabbeek),
stro/strouw:
strou̯ (L416p Opglabbeek),
strooi:
strūi̯ (L416p Opglabbeek),
strooisel:
strø̜i̯tsǝl (L416p Opglabbeek),
struu:
strø̜i̯ (L416p Opglabbeek)
|
Een potstal is een ouderwetse stal met als belangrijkste functie het winnen van mest (zie ook het lemma ''potstal'' in wld I.6 blz. 31-32). Over de mest heen werd strooisel gespreid, zodat de koeien steeds hoger kwamen te staan en de stal vol mest raakte. Als strooisel werd van alles gebruikt: in de zon gedroogde graszoden, dennennaalden, stro, gedroogde bladeren, heiplaggen, turf(molm), zaagmeel. [N 11, 13a; N 11, 13b; N 11, 13c; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-11
|
| 34277 |
strooisel spreiden |
strouwen:
strou̯ǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het verspreiden van het strooisel onder het vee. [JG 1a, 1b; RND 10, 51]
I-11
|
| 20738 |
strooiselvlaai |
knobbeltjesvlaai:
knebəlkəsflāj (L416p Opglabbeek)
|
Vla bedekt met een droog mengsel van boter, basterdsuiker en meel (greumelkeskoek, struiselkoek?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20956 |
stroop |
siroop:
šrȳǝb (L416p Opglabbeek),
stroop:
strȳǝp (L416p Opglabbeek)
|
Dikke, kleverige, zoete vloeistof, als broodbeleg gebruikt. In dit lemma zijn alle antwoorden opgenomen die zijn gegeven op de vragen S 36, L 7, 62 en N 57, 34a waarin in het algemeen werd gevraagd naar benamingen voor stroop. Daarnaast is monografisch materiaal dat betrekking had op stroop, verwerkt. Bovendien bevat dit lemma de antwoorden op vraag N 38, 2 "Hoe noemt u appelstroop?", omdat uit vergelijk van het materiaal voor diverse plaatsen bleek, dat er nauwelijks ver-schillen optraden in de benamingen voor stroop en appelstroop, waarschijnlijk ook omdat de meeste stroop uit appels geproduceerd wordt, Om een overbodige opsomming van identieke varianten te vermijden, is daar-om besloten de opgaven bij elkaar te plaatsen. [N 57, 34a; N 57A, 6; S 36; L 7, 62; N 38, 2; monogr.]
II-2
|