e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
strozak matras: màtrás (Opglabbeek), strooizak: strèùjzàk (Opglabbeek), strozak: strŭŭzàk (Opglabbeek) Met stro gevulde matras (bulster, paljas, strozak) [N 79 (1979)] III-2-1
struik (alg.) gestruikt: WBD/WLD  gəstrōēkt (Opglabbeek), struik: stroek (Opglabbeek), stroͅk (Opglabbeek), stròk (Opglabbeek), strûk (Opglabbeek), WBD/WLD  strūūkə (Opglabbeek), struikje: stri-jkske (Opglabbeek), strīkskə (Opglabbeek) De plant met een stengel die zich reeds vanaf de grond in min of meer stevige, veelal houtige takkn verdeelt (struik, buis, hucht, bos, horst, pol). [N 82 (1981)] || struik [ZND 32 (1939)], [ZND m] III-4-3
struikelen stobbelen: stŏĕbələ (Opglabbeek), struikelen: strykəlĕn (Opglabbeek) over een appelschil struikelen [ZND 07 (1924)] || Struikelen: vallen of bijna vallen door met de voet tegen iets aan te stoten of door een misstap (struikelen, strommelen, stronkelen). [N 84 (1981)] III-1-2
stucadoor bezetter: bǝzętǝr (Opglabbeek) Arbeider die bepleisteringen op muren en plafonds aanbrengt. De woordtypen 'stucpaffer' en 'pleisterbuil' werden in Q 121 gebruikt voor de stucadoor die de eerste pleisterlaag met grote kracht tegen de muur smeet. Op deze wijze werd de hechting van het materiaal aan de muur bevorderd. [N 30, 3c; monogr.; div.] II-9
stuifmeel blomsel: blomsǝl (Opglabbeek) Het eiwitten- en vettengedeelte van het bijenvoedsel. Het wordt door de haalbijen uit de mannelijke geslachtsceldragers van een plant gehaald. [N 63, 43a; Ge 37, 143] II-6
stuifmeel, stofmeel stofmeel: stof[meel] (Opglabbeek) Dat gedeelte van het meel dat tijdens het malen verloren gaat en dus in mindering komt van hetgeen de molenaar moet afleveren. Het woordtype stofloon is te verklaren uit het feit dat in Belgisch Limburg de meeste molenaars geen onderscheid maken tussen ɛstofmeelɛ en ɛschepmeelɛ. Meestal worden beide samengeteld zodat één grotere hoeveelheid ontstaat die van het meel mag worden afgehouden. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛschepmeelɛ. In Q 204a werd het stuifmeel als veevoer (beestengoed: ɛbīštǝgōtɛ) of als ɛfiltermeelɛ gebruikt. Achter de plaatscodes is, voor zover opgegeven, tussen haakjes vermeld hoeveel stuifmeel per honderd kilo meel in de betreffende plaats wordt berekend. De woorddelen -ømeelŋ en ømolenŋ- zijn fonetisch gedocumenteerd in de lemmata ɛmeelɛ respectievelijk ɛmolenɛ.' [N O, 37g; JG 1a; JG 1b; Jan 269; Coe 251; Grof 290; A 42A, 48 add.; JG 1c add.; JG 2c add.] II-3
stuifmeelkrans stuifmeelkrans: stuifmeelkrans (Opglabbeek) De groep cellen op een raat waarin het stuifmeel wordt opgeslagen. [N 63, 46b] II-6
stuifsneeuw fijne sneeuw: fīnə (snīə) (Opglabbeek), nieuwsgierige sneeuw: nieuwsgieriges  ’nyširegə snīə (Opglabbeek), stofsneeuw: stufsnij (Opglabbeek), stófsnīē = fi-jne snīē (Opglabbeek) fijne stuifsneeuw, poolsneeuw [snipper- snipsneeuw] [N 22 (1963)] || sneeuw [schimmel] [N 22 (1963)] || verschillende soorten sneeuw [spuwsneeuw, watersneeuw]st [N 81 (1980)] III-4-4
stuifzand papzand: (droog en nat).  pàpzànd (Opglabbeek) stuifzand, zeer fijn zand dat gemakkelijk stuift [vliegzand, stobber] [N 81 (1980)] III-4-4
stuiken gelijkstuiken: gelī.kstū.ǝkǝ (Opglabbeek), kuiltjegooien: kīlkə gūən (Opglabbeek) Het gelijkmaken van het stoppeleinde, de onderkant van de schoof, door deze op de grond de stuiten. [JG 1a, 1b] || Hoe worden (werden) de verschillende knikkerspelen genoemd? [N R (1968)] I-4, III-3-2