| 19394 |
strozak |
matras:
màtrás (L416p Opglabbeek),
strooizak:
strèùjzàk (L416p Opglabbeek),
strozak:
strŭŭzàk (L416p Opglabbeek)
|
Met stro gevulde matras (bulster, paljas, strozak) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 24481 |
struik (alg.) |
gestruikt:
WBD/WLD
gəstrōēkt (L416p Opglabbeek),
struik:
stroek (L416p Opglabbeek),
stroͅk (L416p Opglabbeek),
stròk (L416p Opglabbeek),
strûk (L416p Opglabbeek),
WBD/WLD
strūūkə (L416p Opglabbeek),
struikje:
stri-jkske (L416p Opglabbeek),
strīkskə (L416p Opglabbeek)
|
De plant met een stengel die zich reeds vanaf de grond in min of meer stevige, veelal houtige takkn verdeelt (struik, buis, hucht, bos, horst, pol). [N 82 (1981)] || struik [ZND 32 (1939)], [ZND m]
III-4-3
|
| 17851 |
struikelen |
stobbelen:
stŏĕbələ (L416p Opglabbeek),
struikelen:
strykəlĕn (L416p Opglabbeek)
|
over een appelschil struikelen [ZND 07 (1924)] || Struikelen: vallen of bijna vallen door met de voet tegen iets aan te stoten of door een misstap (struikelen, strommelen, stronkelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 30557 |
stucadoor |
bezetter:
bǝzętǝr (L416p Opglabbeek)
|
Arbeider die bepleisteringen op muren en plafonds aanbrengt. De woordtypen 'stucpaffer' en 'pleisterbuil' werden in Q 121 gebruikt voor de stucadoor die de eerste pleisterlaag met grote kracht tegen de muur smeet. Op deze wijze werd de hechting van het materiaal aan de muur bevorderd. [N 30, 3c; monogr.; div.]
II-9
|
| 24834 |
stuifmeel |
blomsel:
blomsǝl (L416p Opglabbeek)
|
Het eiwitten- en vettengedeelte van het bijenvoedsel. Het wordt door de haalbijen uit de mannelijke geslachtsceldragers van een plant gehaald. [N 63, 43a; Ge 37, 143]
II-6
|
| 26613 |
stuifmeel, stofmeel |
stofmeel:
stof[meel] (L416p Opglabbeek)
|
Dat gedeelte van het meel dat tijdens het malen verloren gaat en dus in mindering komt van hetgeen de molenaar moet afleveren. Het woordtype stofloon is te verklaren uit het feit dat in Belgisch Limburg de meeste molenaars geen onderscheid maken tussen ɛstofmeelɛ en ɛschepmeelɛ. Meestal worden beide samengeteld zodat één grotere hoeveelheid ontstaat die van het meel mag worden afgehouden. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛschepmeelɛ. In Q 204a werd het stuifmeel als veevoer (beestengoed: ɛbīštǝgōtɛ) of als ɛfiltermeelɛ gebruikt. Achter de plaatscodes is, voor zover opgegeven, tussen haakjes vermeld hoeveel stuifmeel per honderd kilo meel in de betreffende plaats wordt berekend. De woorddelen -ømeelŋ en ømolenŋ- zijn fonetisch gedocumenteerd in de lemmata ɛmeelɛ respectievelijk ɛmolenɛ.' [N O, 37g; JG 1a; JG 1b; Jan 269; Coe 251; Grof 290; A 42A, 48 add.; JG 1c add.; JG 2c add.]
II-3
|
| 28541 |
stuifmeelkrans |
stuifmeelkrans:
stuifmeelkrans (L416p Opglabbeek)
|
De groep cellen op een raat waarin het stuifmeel wordt opgeslagen. [N 63, 46b]
II-6
|
| 25138 |
stuifsneeuw |
fijne sneeuw:
fīnə (snīə) (L416p Opglabbeek),
nieuwsgierige sneeuw:
nieuwsgieriges
’nyširegə snīə (L416p Opglabbeek),
stofsneeuw:
stufsnij (L416p Opglabbeek),
stófsnīē = fi-jne snīē (L416p Opglabbeek)
|
fijne stuifsneeuw, poolsneeuw [snipper- snipsneeuw] [N 22 (1963)] || sneeuw [schimmel] [N 22 (1963)] || verschillende soorten sneeuw [spuwsneeuw, watersneeuw]st [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24932 |
stuifzand |
papzand:
(droog en nat).
pàpzànd (L416p Opglabbeek)
|
stuifzand, zeer fijn zand dat gemakkelijk stuift [vliegzand, stobber] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 22362 |
stuiken |
gelijkstuiken:
gelī.kstū.ǝkǝ (L416p Opglabbeek),
kuiltjegooien:
kīlkə gūən (L416p Opglabbeek)
|
Het gelijkmaken van het stoppeleinde, de onderkant van de schoof, door deze op de grond de stuiten. [JG 1a, 1b] || Hoe worden (werden) de verschillende knikkerspelen genoemd? [N R (1968)]
I-4, III-3-2
|