| 22609 |
traktatie bij het plaatsen van de mei add. |
trakteren (<lat.):
trakteere (L416p Opglabbeek)
|
De tractatie bij het plaatsen van die tak of vlag. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 19852 |
tralie |
stang:
staŋ (L416p Opglabbeek),
tralie:
trāli (L416p Opglabbeek)
|
een ijzeren tralie [ZND 08 (1925)]
III-2-1
|
| 17731 |
tranende ogen |
waterogen:
watərøͅygə (L416p Opglabbeek)
|
oog: tranende ogen [sijp-, siep-, sijper-, seeper-, soep-, leep-, prutooge] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17928 |
trant |
gang:
gank (L416p Opglabbeek),
gánk (L416p Opglabbeek)
|
gang: Wijze van gaan (gang, trant). [N 84 (1981)] || Wijze van gaan (gank, loop, trant) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 19378 |
trap |
trap:
trap (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
tràp (L416p Opglabbeek),
trapje:
(indien klein)
trépke (L416p Opglabbeek)
|
Elk der boven elkaar gelegen en terugwijkende opstapjes die samen een trap in een huis vormen, waarlangs men naar een andere verdieping kan gaan (trede,tree,trap) [N 79 (1979)] || trap [ZND 06 (1924)], [ZND 12 (1926)]
III-2-1
|
| 19755 |
traploper |
loper:
leiper (L416p Opglabbeek),
luiper (L416p Opglabbeek),
bijv. in de gang of op de trap
luiper (L416p Opglabbeek),
Ze hauwe de ruje leiper inne körk gelagd
leiper (L416p Opglabbeek)
|
lang en smal tapijt || loper || tapijt
III-2-1
|
| 28892 |
trapnaaimachine |
machine met trapper:
machine met trapper (L416p Opglabbeek)
|
Naaimachine die men door trapbewegingen van de voet in beweging zet. [N 59, 17b]
II-7
|
| 17958 |
trappelen |
trampelen:
trampelen (L416p Opglabbeek),
tràmpələ (L416p Opglabbeek)
|
Trappelen: in vlug tempo de voeten beurtelings oplichten en weer neerzetten (trappelen, trampelen, droebelen) [N 108 (2001)] || Trappelen: in vlug tempo de voeten beurtelings oplichten en weer neerzetten (trappelen, trampelen, droebelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 33852 |
trappelende bewegingen maken |
trippelen:
trø̄pǝlǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het paard tilt de poten hoog genoeg op, maar werpt ze niet vooruit; het blijft ter plaatse trappelen. [N 8, 70b en 71]
I-9
|
| 19379 |
traproede |
hanenpoot:
hānepŭŭte (L416p Opglabbeek),
roede:
rooj (L416p Opglabbeek)
|
Elk van de houten of metalen staven die een traploper op zijn plaaats houden (roe, lat) [N 79 (1979)]
III-2-1
|