| 23672 |
triduüm |
tridum (<lat.):
triduum (L416p Opglabbeek)
|
Een driedaagse godsvruchtoefening, triduüm . [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 25051 |
troebel, vuil (water) |
smerig:
smīērig (L416p Opglabbeek),
troebel:
trŏĕbəl (L416p Opglabbeek),
vuil:
vūūl (L416p Opglabbeek)
|
onzuiver, drabbig van vloeistoffen gezegd [vuil, troebel, smerig, gemuurd, murig] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 33892 |
troebele ogen |
droezelig:
dryzǝlex (L416p Opglabbeek)
|
[N 8, 94g]
I-9
|
| 22393 |
troef |
troef:
eͅin try(3)̄f (L416p Opglabbeek),
troev (L416p Opglabbeek),
try(3)̄f (L416p Opglabbeek),
trüv (L416p Opglabbeek)
|
Een troef. [ZND A2 (1940sq)] || Kaart(en) van een bepaalde soort of kleur waarmee andere kaarten in het spel geslagen kunnen worden [troef, turf, lint, beffer, drijver, ant]. [N 88 (1982)] || Troef: Harten is troef (kaartspel). [ZND 42 (1943)] || Troef: Harten is troef. [ZND 08 (1925)]
III-3-2
|
| 21385 |
troep |
troep:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
héé is bīē dən trŏĕp (L416p Opglabbeek)
|
algemene naam voor soldaten [volk, soldatenvolk, soldaterij] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 34300 |
troep biggen in het algemeen |
nest:
nęst (L416p Opglabbeek)
|
In dit lemma wordt het begrip biggen of wat daarvoor in de plaats kan komen achter nest, toom enzovoorts niet gedocumenteerd. [N 19, 17; N 76, add.]
I-12
|
| 34464 |
troep kippen |
klocht:
kloxt (L416p Opglabbeek),
slag:
slāx (L416p Opglabbeek)
|
Varianten van kippen, hennen, hoenders enz. zijn niet gedocumenteerd. Zie hiervoor het lemma ''kippen'' (5.2.1). Alleen de benamingen voor troep zijn in dit lemma opgenomen. [N 19, 63; A 4, 18; L 4, 18; L 20, 18; S 37; monogr.]
I-12
|
| 22394 |
troeven |
aftroeven:
āftry(3)̄və (L416p Opglabbeek)
|
Met een troefkaart andere kaarten nemen of slaan [troeven, snijden]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 29936 |
troffel |
metstroffel:
mɛtstrufǝl (L416p Opglabbeek)
|
Metselaarsgereedschap, bestaande uit een metalen blad van driehoekige vorm aan een gekromde steel met houten handvat. De troffel wordt gebruikt om specie op de stenen te brengen en uit te strijken en om metselstenen op maat te hakken. Zie afb. 1a. Het woordtype schmeisstroffel was in Q 121 van toepassing op een troffel die bij het pleisteren werd gebruikt. De voorkant van het blad van deze troffel was, in tegenstelling tot dat van de gewone troffel, niet rond maar recht afgewerkt. Zie ook het lemma 'pleisteren'. [Wi 3; N 30, 7a; monogr.]
II-9
|
| 19982 |
trom |
trom:
trum (L416p Opglabbeek)
|
Het cilindervormige slaginstrument, bespannen met kalfsvel, dat met behulp van twee stokken wordt bespeeld [trommel, trom]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|