| 18690 |
trouwpak |
trouwkostuum:
trøͅywkəstym (L416p Opglabbeek)
|
trouwkostuum [t trouwdinge, trouwpak] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 20176 |
trouwring |
trouwring:
truiwring (L416p Opglabbeek)
|
een trouwring [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 18169 |
trui |
pullover:
plōvər (L416p Opglabbeek),
tricot (fr.):
trəko (L416p Opglabbeek)
|
damestrui, kledingstuk zonder knopen [N 23 (1964)] || trui [maljo, sjtump, tricot] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18083 |
tuberculose |
tbc:
TBC (L416p Opglabbeek),
tering:
tiering (L416p Opglabbeek),
tīēring (L416p Opglabbeek),
tīręŋ (L416p Opglabbeek)
|
Een besmettelijke ziekte die ontstaat doordat tuberkelbacteriën in het lichaam van het dier geraken. De besmetting kan op verschillde wijzen gebeuren: direct, doordat de smetstof met de ingeademde lucht of het opgenomen voedsel van lijders aan tuberculose belandt in het lichaam van gezonde stalgenoten; indirect, doordat de smetstof via zuivelfabrieken met de melk van het ene bedrijf op het andere terechtkomt. Het is een slepende ziekte. Zie ook het lemma ''tuberculose'' in wbd I.3, blz. 483.' [N 3A, 85a; N 52, 17a; A 48A, 30a] || Tuberculose: infectieziekte veroorzaakt door de tuberkelbacil die vrijwel alle organen kan aantasten, meestal echter de longen (tering, teer, loosziekte). [N 84 (1981)] || Tuberculose: infectieziekte veroorzaakt door de tuberkelbacil die vrijwel alle organen kan aantasten, meestal echter de longen (tering, teer, tbc, teebee). [N 107 (2001)]
I-11, III-1-2
|
| 34289 |
tuieren |
tuieren:
tii̯.ǝrǝ (L416p Opglabbeek),
tii̯ǝrǝ (L416p Opglabbeek)
|
Een koe of geit laten grazen aan een touw dat met een paal in de grond bevestigd is. Men doet dit om het af te grazen stuk grasland te beperken. [N 3A, 14h; N 14, 71; L 27, 5; A 17, 20; JG 1c, 2c; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 34296 |
tuierhamer |
klophout:
klǫphø̜̄u̯t (L416p Opglabbeek)
|
De zware, houten hamer waarmee men de tuierpaal in de grond drijft. [N 14, 73b en 74; N 3A, 14h; A 17, 20; monogr.; add. uit N 14, 71; S 15]
I-11
|
| 34293 |
tuierpaal |
staak:
stā.k (L416p Opglabbeek),
tuier:
tīi̯ǝr (L416p Opglabbeek),
tuierpaal:
tīrpǭl (L416p Opglabbeek),
tuierstaak:
tii̯ǝrstāk (L416p Opglabbeek)
|
De tuierpaal is een houten of ijzeren paal die men met de tuierhamer in de grond slaat en waaraan de koe of geit wordt vastgebonden. [N 14, 72 en 73a; N 3A, 14h; JG 1c, 2c; L 40, 21a; L B2, 286; A 17, 20; monogr. add. uit N 14, 71]
I-11
|
| 34291 |
tuierplaats |
tuier:
tii̯ǝr (L416p Opglabbeek)
|
Cirkelvormig stuk weiland dat een getuierde koe of geit kan afgrazen. [N 14, 72; monogr.]
I-11
|
| 34292 |
tuiertuig |
tuier:
tii̯ǝr (L416p Opglabbeek)
|
Het tuiergereedschap in het algemeen. [N 3A, 14h]
I-11
|
| 21870 |
tuimelen, over de kop gaan |
te duur betalen:
tə deer bətaald (L416p Opglabbeek)
|
het dubbele opbrengen van het oorspronkelijke bod op een veiling [tuimelen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|