| 21443 |
uitgaan |
uitgaan:
ūūtgūūn (L416p Opglabbeek)
|
uitgaan, cafés bezoeken, aan de zwier gaan [lelijkeren, op de scheut gaan] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 18573 |
uitgaanskleren |
goede kleren:
goej klééjer (L416p Opglabbeek)
|
De kleren die men draagt als men uit gaat. [DC 62 (1987)]
III-1-3
|
| 32225 |
uitgesleten, gezegd van de naafbus |
uitgelopen:
ū.t˲gǝlaw.pǝ (L416p Opglabbeek)
|
Door de wrijving van lunsschijf en achterschijf tegen de uiteinden van de naafbus, krijgt deze na langdurig gebruik te veel speling in de richting van de as en gaat het wiel waggelen. Men zegt dan dat de naafbus is uitgesleten. Zie ook de lemmata ɛlunsschijfɛ en ɛachterschijfɛ in wld II.11, pag. 135. Het slingeren van het karwiel als gevolg van een uitgesleten naafbus noemde men in Sint-Truiden (P 176): karslag (kē̜rslax).' [JG, 1a]
II-12
|
| 34169 |
uitgeteld zijn |
uitgeteld zijn:
(de koe is) ȳtgǝtē̜lt (L416p Opglabbeek),
(de koe is) ūtgǝtɛlt (L416p Opglabbeek)
|
De koe staat op het punt te gaan kalven. [N 3A, 43]
I-11
|
| 24996 |
uitgieten |
uitschudden:
ūūtsjəddə (L416p Opglabbeek)
|
een vloeistof al gietende doen vloeien uit een kan, fles etc. [storten, plassen, klassen, schenken, uitgieten] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 17854 |
uitglijden |
uitschampen:
ytšampə (L416p Opglabbeek),
uitslibberen:
ūtslebərə (L416p Opglabbeek)
|
uitglijden [ZND 24 (1937)] || uitglijden [ötschampe, uitslibbere, uitschuive] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 26578 |
uithalen |
voorscherpen:
vīǝ.ršęrpǝ (L416p Opglabbeek)
|
Algemene benaming voor het uitkappen van de groeven van een molensteen. Zie voor meer specifieke handelingen bij het uitkappen van de groeven de lemmata ɛbreed scherpenɛ, ɛhol scherpenɛ, ɛdiep scherpenɛ enzovoorts.' [Vds 222; Jan 201; Coe 175; Grof 205]
II-3
|
| 28972 |
uithalen van de doorslagsteken |
uittrekken:
uittrekken (L416p Opglabbeek)
|
Het verwijderen van de doorslagsteken. [N 59, 51b]
II-7
|
| 32967 |
uitkomen |
uitkomen:
ū.tkūǝ.mǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het boven de grond uitkomen van het gekiemde zaadkorreltje. [JG 1a, 1b; monogr.; add. uit S 17]
I-4
|
| 21391 |
uitleggen |
(zoom) uitlaten:
(zoom) uitlaten (L416p Opglabbeek),
ytlotǝ (L416p Opglabbeek)
|
Een kledingstuk langer of ruimer maken door onderaan een zoom uit te leggen. [N 59, 191; N 62, 23b; MW]
II-7
|