e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
uitgaan uitgaan: ūūtgūūn (Opglabbeek) uitgaan, cafés bezoeken, aan de zwier gaan [lelijkeren, op de scheut gaan] [N 87 (1981)] III-3-1
uitgaanskleren goede kleren: goej klééjer (Opglabbeek) De kleren die men draagt als men uit gaat. [DC 62 (1987)] III-1-3
uitgesleten, gezegd van de naafbus uitgelopen: ū.t˲gǝlaw.pǝ (Opglabbeek) Door de wrijving van lunsschijf en achterschijf tegen de uiteinden van de naafbus, krijgt deze na langdurig gebruik te veel speling in de richting van de as en gaat het wiel waggelen. Men zegt dan dat de naafbus is uitgesleten. Zie ook de lemmata ɛlunsschijfɛ en ɛachterschijfɛ in wld II.11, pag. 135. Het slingeren van het karwiel als gevolg van een uitgesleten naafbus noemde men in Sint-Truiden (P 176): karslag (kē̜rslax).' [JG, 1a] II-12
uitgeteld zijn uitgeteld zijn: (de koe is) ȳtgǝtē̜lt (Opglabbeek), (de koe is) ūtgǝtɛlt (Opglabbeek) De koe staat op het punt te gaan kalven. [N 3A, 43] I-11
uitgieten uitschudden: ūūtsjəddə (Opglabbeek) een vloeistof al gietende doen vloeien uit een kan, fles etc. [storten, plassen, klassen, schenken, uitgieten] [N 91 (1982)] III-4-4
uitglijden uitschampen: ytšampə (Opglabbeek), uitslibberen: ūtslebərə (Opglabbeek) uitglijden [ZND 24 (1937)] || uitglijden [ötschampe, uitslibbere, uitschuive] [N 10 (1961)] III-1-2
uithalen voorscherpen: vīǝ.ršęrpǝ (Opglabbeek) Algemene benaming voor het uitkappen van de groeven van een molensteen. Zie voor meer specifieke handelingen bij het uitkappen van de groeven de lemmata ɛbreed scherpenɛ, ɛhol scherpenɛ, ɛdiep scherpenɛ enzovoorts.' [Vds 222; Jan 201; Coe 175; Grof 205] II-3
uithalen van de doorslagsteken uittrekken: uittrekken (Opglabbeek) Het verwijderen van de doorslagsteken. [N 59, 51b] II-7
uitkomen uitkomen: ū.tkūǝ.mǝ (Opglabbeek) Het boven de grond uitkomen van het gekiemde zaadkorreltje. [JG 1a, 1b; monogr.; add. uit S 17] I-4
uitleggen (zoom) uitlaten: (zoom) uitlaten (Opglabbeek), ytlotǝ (Opglabbeek) Een kledingstuk langer of ruimer maken door onderaan een zoom uit te leggen. [N 59, 191; N 62, 23b; MW] II-7