e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
variant van krijgertje spelen: verlossertje verlossertje spelen: vərloͅsərkə (Opglabbeek) Het spel waarbij één kind anderen tracht in te halen en dan te tikken, waarna de getikte weer de vangman is (ook op dit spel bestaan talloze varianten; misschien kunt u die ook vermelden: de naam en hoe het gespeeld werd) [letsen, hets geven, hetske jagen [N 88 (1982)] III-3-2
varken varken: vē̜.rkǝ (Opglabbeek), vęrkǝ (Opglabbeek), vęrkǝn (Opglabbeek), vɛ.rkǝ (Opglabbeek) Bedoeld wordt een varken in het algemeen, niet geslachtelijk of naar leeftijd onderscheiden. [N 19, 1; N M, 7; N C; N C, add.; RND 46 en 84; L 8, 19; L 8, 32; L mon.; S 39; JG 1a, 1b, 2c add.; R (s] I-12
varken (bijzondere namen) kuus: kys (Opglabbeek), kuusje: kyskǝ (Opglabbeek) In de Nijmeegse vragenlijst 19 vraag 2 werd gevraagd: "Kent uw dialect bijzondere namen voor varken?" In het lemma ''varken'' (1.1.1) zijn de algemene benamingen voor het varken ondergebracht; in dit lemma de bijzondere. Er is overlapping in de naamgeving. [N 19, 2; monogr.; Vld] I-12
varken met hangende oren belgisch landvarken: bɛlgis lantvɛrkǝn (Opglabbeek) Varken van het ras dat hangende oren heeft. [N 76, 1a] I-12
varken met staande oren belgisch: belzǝrs (Opglabbeek) Varken van het ras dat staande oren heeft. [N 76, 1b] I-12
varken van acht tot twaalf weken loper: lø̜̄u̯pǝr (Opglabbeek), lē̜i̯pǝr (Opglabbeek), lęi̯.pǝr (Opglabbeek) De benamingen duiden doorgaans op een big van acht tot twaalf weken. Het gewicht van dit varken varieert van ongeveer 30 kg tot ongeveer 50 kg. [N 19, 4a; N 76, 3c; N C, 9c; JG 1a, 1b, 2c; L 37, 49b; L 37, 49e; L 3, 2b; L 1a-m; A 4, 4b; Gwn; monogr.; N C, add.; N 19, Q 111 add.] I-12
varken van drie tot vijf maanden vetvarken: vɛtvɛrkǝ (Opglabbeek) Een halfvet varken van 50 tot 80 kg. Volgens het WNT (III, 1 p. 1460) is een broeiling een "speenvarken", eigenlijk een "varken geschikt om te broeien". Het gaat hier dus om een varken dat zo goed als slachtklaar is. [N 76, 3d; JG 1b, 1c, 1d, 2c; N 19, 8; L 37, 49f; N 19, 4a; A 4, 4b; monogr.; N 19, Q 111 add.] I-12
varkens mesten masten: mastǝn (Opglabbeek), vetmaken: vɛtmākǝ (Opglabbeek) Het vetmesten van varkens totdat ze geschikt zijn voor export of slacht. [N 76, 37c; JG 1b, 1c, 2c; monogr.] I-12
varkenshouder varkensboer: vɛrkǝsbōr (Opglabbeek), varkenskweker: vɛrkǝskwēkǝr (Opglabbeek) Persoon die beroepsmatig varkens houdt. [N 76, 37a; N 76, 37b] I-12
varkensketel varkensketel: vɛrǝkǝskī.ǝtǝl (Opglabbeek) De ketel waarin het varkensvoer gekookt en gemengd wordt. Soms is het dezelfde ketel als die waarin het voer voor de koeien bereid wordt. Zie verder het lemma "veevoerkookketel" (2.2.10). [JG 1a; L 36, 96c; monogr.; add. uit A 13, 19c] I-6