| 22620 |
variant van krijgertje spelen: verlossertje |
verlossertje spelen:
vərloͅsərkə (L416p Opglabbeek)
|
Het spel waarbij één kind anderen tracht in te halen en dan te tikken, waarna de getikte weer de vangman is (ook op dit spel bestaan talloze varianten; misschien kunt u die ook vermelden: de naam en hoe het gespeeld werd) [letsen, hets geven, hetske jagen [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 34297 |
varken |
varken:
vē̜.rkǝ (L416p Opglabbeek),
vęrkǝ (L416p Opglabbeek),
vęrkǝn (L416p Opglabbeek),
vɛ.rkǝ (L416p Opglabbeek)
|
Bedoeld wordt een varken in het algemeen, niet geslachtelijk of naar leeftijd onderscheiden. [N 19, 1; N M, 7; N C; N C, add.; RND 46 en 84; L 8, 19; L 8, 32; L mon.; S 39; JG 1a, 1b, 2c add.; R (s]
I-12
|
| 34298 |
varken (bijzondere namen) |
kuus:
kys (L416p Opglabbeek),
kuusje:
kyskǝ (L416p Opglabbeek)
|
In de Nijmeegse vragenlijst 19 vraag 2 werd gevraagd: "Kent uw dialect bijzondere namen voor varken?" In het lemma ''varken'' (1.1.1) zijn de algemene benamingen voor het varken ondergebracht; in dit lemma de bijzondere. Er is overlapping in de naamgeving. [N 19, 2; monogr.; Vld]
I-12
|
| 34301 |
varken met hangende oren |
belgisch landvarken:
bɛlgis lantvɛrkǝn (L416p Opglabbeek)
|
Varken van het ras dat hangende oren heeft. [N 76, 1a]
I-12
|
| 34302 |
varken met staande oren |
belgisch:
belzǝrs (L416p Opglabbeek)
|
Varken van het ras dat staande oren heeft. [N 76, 1b]
I-12
|
| 34316 |
varken van acht tot twaalf weken |
loper:
lø̜̄u̯pǝr (L416p Opglabbeek),
lē̜i̯pǝr (L416p Opglabbeek),
lęi̯.pǝr (L416p Opglabbeek)
|
De benamingen duiden doorgaans op een big van acht tot twaalf weken. Het gewicht van dit varken varieert van ongeveer 30 kg tot ongeveer 50 kg. [N 19, 4a; N 76, 3c; N C, 9c; JG 1a, 1b, 2c; L 37, 49b; L 37, 49e; L 3, 2b; L 1a-m; A 4, 4b; Gwn; monogr.; N C, add.; N 19, Q 111 add.]
I-12
|
| 34317 |
varken van drie tot vijf maanden |
vetvarken:
vɛtvɛrkǝ (L416p Opglabbeek)
|
Een halfvet varken van 50 tot 80 kg. Volgens het WNT (III, 1 p. 1460) is een broeiling een "speenvarken", eigenlijk een "varken geschikt om te broeien". Het gaat hier dus om een varken dat zo goed als slachtklaar is. [N 76, 3d; JG 1b, 1c, 1d, 2c; N 19, 8; L 37, 49f; N 19, 4a; A 4, 4b; monogr.; N 19, Q 111 add.]
I-12
|
| 34363 |
varkens mesten |
masten:
mastǝn (L416p Opglabbeek),
vetmaken:
vɛtmākǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het vetmesten van varkens totdat ze geschikt zijn voor export of slacht. [N 76, 37c; JG 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-12
|
| 34360 |
varkenshouder |
varkensboer:
vɛrkǝsbōr (L416p Opglabbeek),
varkenskweker:
vɛrkǝskwēkǝr (L416p Opglabbeek)
|
Persoon die beroepsmatig varkens houdt. [N 76, 37a; N 76, 37b]
I-12
|
| 33359 |
varkensketel |
varkensketel:
vɛrǝkǝskī.ǝtǝl (L416p Opglabbeek)
|
De ketel waarin het varkensvoer gekookt en gemengd wordt. Soms is het dezelfde ketel als die waarin het voer voor de koeien bereid wordt. Zie verder het lemma "veevoerkookketel" (2.2.10). [JG 1a; L 36, 96c; monogr.; add. uit A 13, 19c]
I-6
|