e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
varkenspoot varkenspoot: dient als soepvlees  vɛ.rkəspūət (Opglabbeek) het onderste gedeelte van de poot van een varken, te rekenen vanaf het spronggewicht [Goossens 1a (1955)] III-2-3
varkensribjes platte rib: rund  plàtte rib (Opglabbeek) lendestuk; Hoe noemt U: Lendestuk, ossehaas (ossehaas, harst, osseharst, runderharst, filet) [N 80 (1980)] III-2-3
varkenssnijder varkenssnijder: vɛrkǝsni ̞.i̯ǝr (Opglabbeek) Persoon die varkens castreert. Deed aanvankelijk de boer zelf of de biggenhandelaar dit castreren, later werd hiervoor de veearts ingeschakeld. [N 76, 45; JG 1a; monogr.] I-12
varkensstal, varkenshok varkenskot: vɛ.rkǝskǫt (Opglabbeek), varkensstal: vɛ.rkǝs[stal] (Opglabbeek) De stal of het deel van de stal waarin zich de varkenshokken bevinden. Doorgaans wordt er geen onderscheid gemaakt in de aanduiding van de stal in de zin van het gebouw of deel daarvan en in die van het hok, de houten constructie waarin de varkens zich bevinden. De opgaven waarbij wèl is aangegeven dat zij betrekking hebben op het houten hok, staan achter in het lemma bijeen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.3). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5A, 60a en 60b; N 5, 105c; A 10, 9d en 9e; L 38, 27; S 39 en 50; monogr.] I-6
varkenston varkensketeltob: vęrkǝskīǝtǝltǫb (Opglabbeek), varkenston: vęrkǝstūn (Opglabbeek) Ton om gekookt varkensvoer in te bewaren. Zie voor de benamingen van "varkensketel" het lemma ''varkensketel'' in wld I.6 (2.2.11). [N 18, 131; monogr.] I-12
varkenstrog trog: trōx (Opglabbeek), trű̄(ǝ)x (Opglabbeek) De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d] I-6
varkensvet gesmolten vet: gəsmoͅ.ltə veͅt (Opglabbeek), smout: smaut (Opglabbeek) gesmolten vet, wit vet [Goossens 1a (1955)] || reuzelvet III-2-3
varkenswei buitenkot: bű̄tǝnkǫt (Opglabbeek), varkenswei: vɛrkǝs˱węi̯ (Opglabbeek) De met een houten schutting of prikkeldraad omheinde ruimte in de open lucht waar de varkens lopen. Vaak wordt de boomgaard als varkenswei gebruikt. [N 5A, 61a; N 76, 41a; A 10, 9e] I-6
vast derf: derf (Opglabbeek), dèrf (Opglabbeek), uit de korst gaan: ⁄t gèjt uwt de kòrst (Opglabbeek) doorbakken; Hoe noemt U: Zwaar gebakken, gezegd van brood (derf, klut, klei, knoef, kluit) [N 80 (1980)] III-2-3
vaste bloedmassa bloedklonters: blōtklǫntǝrs (Opglabbeek) In het bloed zit de stof fibrine die het bloed doet stollen. Tijdens het kloppen van het bloed vormt deze stof een vaste, draderige massa om de vingers, het strootje of het houtje. [N 28, 18; monogr.] II-1