| 21083 |
varkenspoot |
varkenspoot:
dient als soepvlees
vɛ.rkəspūət (L416p Opglabbeek)
|
het onderste gedeelte van de poot van een varken, te rekenen vanaf het spronggewicht [Goossens 1a (1955)]
III-2-3
|
| 20631 |
varkensribjes |
platte rib:
rund
plàtte rib (L416p Opglabbeek)
|
lendestuk; Hoe noemt U: Lendestuk, ossehaas (ossehaas, harst, osseharst, runderharst, filet) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 34372 |
varkenssnijder |
varkenssnijder:
vɛrkǝsni ̞.i̯ǝr (L416p Opglabbeek)
|
Persoon die varkens castreert. Deed aanvankelijk de boer zelf of de biggenhandelaar dit castreren, later werd hiervoor de veearts ingeschakeld. [N 76, 45; JG 1a; monogr.]
I-12
|
| 33391 |
varkensstal, varkenshok |
varkenskot:
vɛ.rkǝskǫt (L416p Opglabbeek),
varkensstal:
vɛ.rkǝs[stal] (L416p Opglabbeek)
|
De stal of het deel van de stal waarin zich de varkenshokken bevinden. Doorgaans wordt er geen onderscheid gemaakt in de aanduiding van de stal in de zin van het gebouw of deel daarvan en in die van het hok, de houten constructie waarin de varkens zich bevinden. De opgaven waarbij wèl is aangegeven dat zij betrekking hebben op het houten hok, staan achter in het lemma bijeen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.3). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5A, 60a en 60b; N 5, 105c; A 10, 9d en 9e; L 38, 27; S 39 en 50; monogr.]
I-6
|
| 34368 |
varkenston |
varkensketeltob:
vęrkǝskīǝtǝltǫb (L416p Opglabbeek),
varkenston:
vęrkǝstūn (L416p Opglabbeek)
|
Ton om gekookt varkensvoer in te bewaren. Zie voor de benamingen van "varkensketel" het lemma ''varkensketel'' in wld I.6 (2.2.11). [N 18, 131; monogr.]
I-12
|
| 33393 |
varkenstrog |
trog:
trōx (L416p Opglabbeek),
trű̄(ǝ)x (L416p Opglabbeek)
|
De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d]
I-6
|
| 20646 |
varkensvet |
gesmolten vet:
gəsmoͅ.ltə veͅt (L416p Opglabbeek),
smout:
smaut (L416p Opglabbeek)
|
gesmolten vet, wit vet [Goossens 1a (1955)] || reuzelvet
III-2-3
|
| 33396 |
varkenswei |
buitenkot:
bű̄tǝnkǫt (L416p Opglabbeek),
varkenswei:
vɛrkǝs˱węi̯ (L416p Opglabbeek)
|
De met een houten schutting of prikkeldraad omheinde ruimte in de open lucht waar de varkens lopen. Vaak wordt de boomgaard als varkenswei gebruikt. [N 5A, 61a; N 76, 41a; A 10, 9e]
I-6
|
| 20594 |
vast |
derf:
derf (L416p Opglabbeek),
dèrf (L416p Opglabbeek),
uit de korst gaan:
⁄t gèjt uwt de kòrst (L416p Opglabbeek)
|
doorbakken; Hoe noemt U: Zwaar gebakken, gezegd van brood (derf, klut, klei, knoef, kluit) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 25385 |
vaste bloedmassa |
bloedklonters:
blōtklǫntǝrs (L416p Opglabbeek)
|
In het bloed zit de stof fibrine die het bloed doet stollen. Tijdens het kloppen van het bloed vormt deze stof een vaste, draderige massa om de vingers, het strootje of het houtje. [N 28, 18; monogr.]
II-1
|