| 21284 |
vechten |
vechten:
fɛxtə (L416p Opglabbeek),
veͅxtə (L416p Opglabbeek)
|
Hij deed geheel de wereld vechten. [RND] || vechten [ZND A1 (1940sq)]
III-3-1
|
| 34466 |
vechthaan |
vechthaan:
vɛxthā.n (L416p Opglabbeek)
|
Haan in de regel van een bijzonder ras, die afgericht wordt voor hanengevechten. Hanengevechten zijn een Haspengouwse specialiteit. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-12
|
| 34266 |
vee |
beesten:
bīǝstǝ (L416p Opglabbeek),
vee:
vīǝ (L416p Opglabbeek)
|
Alle huisdieren samen: paarden, runderen en kleinvee. Vergelijk het lemma ''veestapel'' (13.12) in deze aflevering. [A 11, 4; JG 1a; RND 4, 31; RND 7, 31; RND 8, 31; RND 10, 31; Wi 52; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 34268 |
vee houden |
boeren:
bōrǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het houden van vee in het algemeen. De opbjecten "vee", "beesten", "koeien" e.a. worden in dit lemma niet gedocumenteerd. [N Q, 10a]
I-11
|
| 34270 |
veearts |
veterinair:
vętǝrǝnē̜.r (L416p Opglabbeek)
|
[JG 1a, 1b; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 20503 |
veel drinken |
doorlaten:
dūūrlaote (L416p Opglabbeek),
goed omschudden:
good omsjèdde (L416p Opglabbeek),
hem zwaaien:
⁄m zwááje (L416p Opglabbeek),
kandelen:
Ich zaat möt eine straffe kater, want staags van vèèrs hauw uis "kòmpeni-j"dureweg gekaanjeldsj
kaanjele (L416p Opglabbeek),
lampetten:
lampötte (L416p Opglabbeek),
zuipen:
zuipe (L416p Opglabbeek),
zuupə (L416p Opglabbeek),
zy(3)̄pən (L416p Opglabbeek),
zóupe (L416p Opglabbeek)
|
drinken; Hoe noemt U: Veel en met graagte drinken (loeriën, leerzen) [N 80 (1980)] || stevig doordrinken || zuipen (overmatig drinken) [ZND 08 (1925)]
III-2-3
|
| 18373 |
veel te grote schoen |
schip:
šēp (L416p Opglabbeek)
|
schoen, veel te grote ~ [affeseersjoon] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18547 |
veel te wijde broek |
boks met flatspijpen:
buks met fla.tspīpə (L416p Opglabbeek),
dikbuikbroek:
dikbuikbroek (L416p Opglabbeek),
rokbroek:
rokbroek (L416p Opglabbeek)
|
broek, veel te wijde ~ [flodderboks] [N 23 (1964)] || een broek voor een gezet figuur [N 59 (1973)] || een veel te wijde broek [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 20497 |
veelvraat |
vreetzak:
vreetzak (L416p Opglabbeek),
vrèètzàk (L416p Opglabbeek),
vréétzàk (L416p Opglabbeek)
|
veelvraat; Hoe noemt U: Iemand die gulzig is, gulzigaard (vraat, fretter, veelvraat, doorjager) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26765 |
veenachtig, moerassig, laaggelegen land |
ven:
vęn (L416p Opglabbeek)
|
Naast de enquêtevragen I, 4 ("Hoe noemt men een moerassige wildernis met struikgewas en bomen?") en II, 9 ("Hoe noemt men veenachtig, moerassig land?") zijn in dit lemma ook verwerkt de opgaven van N 27, 20 (Hoe noemt men een moeras, de natte, weke grond zonder behoorlijke afwatering?") en monografische gegevens. Uit dergelijk moerasachtig, laaggelegen land wordt de tussenturf gewonnen. De opgaven suggereren wellicht dat in al de genoemde plaatsen tussenturf werd gestoken. Dat is zeker niet het geval geweest. De mogelijkheid tot het steken van deze turf was daar wel aanwezig. Vergelijk dit lemma met het lemma ''veen, moergrond, stuk niet ontgonnen hei of woeste grond''. De bronnenopgave is daar echter anders. [I, 4; II, 9; N 27, 20; monogr.]
II-4
|