e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
veengrond, stuk niet ontgonnen hei of woeste grond hei: hęj (Opglabbeek) Een stuk grond waarop het mogelijk is een bepaald soort turf te steken. [I, 3; N 27, 4a; N 27,18a; S 39] II-4
veenlaag broek: brook (Opglabbeek), wetering: wietdring (Opglabbeek) laag veen, tussen moer en zand [derring, moes] [N 81 (1980)] III-4-4
veer pluim: plûm (Opglabbeek), veer: vèèr (Opglabbeek) pluim || veer, pluim III-4-1
veertigurengebed veertigurengebed: viertigooregebed (Opglabbeek) Het veertigurengebed: de drie dagen = veertig uur durende aanbidding van het uitgestelde Allerheiligste, gehouden b.v. tijdens de carnavalsdagen. [N 96B (1989)] III-3-3
veevoer verzamelen bijeendoen: bīendōn (Opglabbeek), kruiden: krūi̯ǝ (Opglabbeek), plukken: plękǝ (Opglabbeek) Het plakken, trekken, steken of snijden van veevoer. Veevoer kan bestaan uit groenvoer, rapen, gras of gewassen als lupinen en serradella. Het verzamelen van veevoer kan dus bestaan uit verschillende handelingen. Object als "groenvoer", "konijnenvoer", "gras" e.a. zijn niet gedocumenteerd. Zie ook het lemma ''knollen uittrekken'' (2.2.6) in aflevering wld I.5. [N Q, 11c; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 36, 65; monogr.] I-11
veevoerkookketel koeienketel: kykīǝtǝl (Opglabbeek), soppot: sǫppǫt (Opglabbeek) De ketel waarin het voer voor het vee gekookt en gemengd wordt. In deze ketel wordt ook wel de was gekookt. Soms worden het voer voor de koeien en dat voor de varkens in dezelfde ketel bereid, meestal echter niet; zie het lemma "varkensketel" (2.2.11). De ketel kan apart, los zijn of (moderner) vast (als een ronde bak met een deksel en een aftapkraan) met een vuur verbonden zijn dat er onder brandt. Aan dit laatste doen vooral de benamingen stookketel, stoomketel en machinesketel denken. De inhoud is dan 100 liter of meer, de hoogte van het geheel ongeveer 150 cm en de doorsnede ruim 100 cm. Zie ook afbeelding 8 bij het lemma "voorstal" (2.2.5). [N 5 A, 35b; N 4, 57; monogr.] I-6
vegen, keren bezemen: besseme (Opglabbeek), keren: kiêre (Opglabbeek, ... ), kīēre (Opglabbeek), uitkeren: ūūtkīējrə (Opglabbeek) Door strijken met een bezem, borstel van stof reinigen (keren, vegen, wissen, vagen) [N 79 (1979)] || met de bezem vegen || schoonvegen || uitkeren III-2-1
veiligheidsspeld toespang: tuwspaŋ (Opglabbeek) Speld waarvan de punt in een dopje of haakje sluit, zodat men zich daaraan niet kan prikken en zij niet kan losgaan. [N 62, 50b; MW; monogr.] II-7
vel op gekookte melk lies: lēs (Opglabbeek), vel: vɛl (Opglabbeek) Het vlies dat ontstaat bij afkoeling van gekookte melk. [N 6, 16; L 6, 16; L 14, 23; A 39, 7b] I-11
vel op melk lies: ook mat. van ZND 14, vr. 23  lēs (Opglabbeek), vel: ook mat. van ZND 14, vr. 23  vɛl (Opglabbeek) velletje op melk [ZND 06 (1924)] III-2-3