| 26703 |
veengrond, stuk niet ontgonnen hei of woeste grond |
hei:
hęj (L416p Opglabbeek)
|
Een stuk grond waarop het mogelijk is een bepaald soort turf te steken. [I, 3; N 27, 4a; N 27,18a; S 39]
II-4
|
| 24944 |
veenlaag |
broek:
brook (L416p Opglabbeek),
wetering:
wietdring (L416p Opglabbeek)
|
laag veen, tussen moer en zand [derring, moes] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24262 |
veer |
pluim:
plûm (L416p Opglabbeek),
veer:
vèèr (L416p Opglabbeek)
|
pluim || veer, pluim
III-4-1
|
| 23659 |
veertigurengebed |
veertigurengebed:
viertigooregebed (L416p Opglabbeek)
|
Het veertigurengebed: de drie dagen = veertig uur durende aanbidding van het uitgestelde Allerheiligste, gehouden b.v. tijdens de carnavalsdagen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 34282 |
veevoer verzamelen |
bijeendoen:
bīendōn (L416p Opglabbeek),
kruiden:
krūi̯ǝ (L416p Opglabbeek),
plukken:
plękǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het plakken, trekken, steken of snijden van veevoer. Veevoer kan bestaan uit groenvoer, rapen, gras of gewassen als lupinen en serradella. Het verzamelen van veevoer kan dus bestaan uit verschillende handelingen. Object als "groenvoer", "konijnenvoer", "gras" e.a. zijn niet gedocumenteerd. Zie ook het lemma ''knollen uittrekken'' (2.2.6) in aflevering wld I.5. [N Q, 11c; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 36, 65; monogr.]
I-11
|
| 33358 |
veevoerkookketel |
koeienketel:
kykīǝtǝl (L416p Opglabbeek),
soppot:
sǫppǫt (L416p Opglabbeek)
|
De ketel waarin het voer voor het vee gekookt en gemengd wordt. In deze ketel wordt ook wel de was gekookt. Soms worden het voer voor de koeien en dat voor de varkens in dezelfde ketel bereid, meestal echter niet; zie het lemma "varkensketel" (2.2.11). De ketel kan apart, los zijn of (moderner) vast (als een ronde bak met een deksel en een aftapkraan) met een vuur verbonden zijn dat er onder brandt. Aan dit laatste doen vooral de benamingen stookketel, stoomketel en machinesketel denken. De inhoud is dan 100 liter of meer, de hoogte van het geheel ongeveer 150 cm en de doorsnede ruim 100 cm. Zie ook afbeelding 8 bij het lemma "voorstal" (2.2.5). [N 5 A, 35b; N 4, 57; monogr.]
I-6
|
| 19431 |
vegen, keren |
bezemen:
besseme (L416p Opglabbeek),
keren:
kiêre (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
kīēre (L416p Opglabbeek),
uitkeren:
ūūtkīējrə (L416p Opglabbeek)
|
Door strijken met een bezem, borstel van stof reinigen (keren, vegen, wissen, vagen) [N 79 (1979)] || met de bezem vegen || schoonvegen || uitkeren
III-2-1
|
| 28885 |
veiligheidsspeld |
toespang:
tuwspaŋ (L416p Opglabbeek)
|
Speld waarvan de punt in een dopje of haakje sluit, zodat men zich daaraan niet kan prikken en zij niet kan losgaan. [N 62, 50b; MW; monogr.]
II-7
|
| 34244 |
vel op gekookte melk |
lies:
lēs (L416p Opglabbeek),
vel:
vɛl (L416p Opglabbeek)
|
Het vlies dat ontstaat bij afkoeling van gekookte melk. [N 6, 16; L 6, 16; L 14, 23; A 39, 7b]
I-11
|
| 20943 |
vel op melk |
lies:
ook mat. van ZND 14, vr. 23
lēs (L416p Opglabbeek),
vel:
ook mat. van ZND 14, vr. 23
vɛl (L416p Opglabbeek)
|
velletje op melk [ZND 06 (1924)]
III-2-3
|