| 24919 |
veld, open land |
land:
lànd (L416p Opglabbeek),
veld:
vèlt (L416p Opglabbeek),
véld (L416p Opglabbeek),
vɛlt (L416p Opglabbeek)
|
veld [ZND A1 (1940sq)] || veld, open land buiten de steden en dorpen, voor akkerbouw [pals] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 21742 |
veldfles |
bidon (fr.):
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
bədōēng (L416p Opglabbeek)
|
een fles die men op mars meeneemt om er onderweg uit te kunnen drinken [veldfles, bobbelke] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24264 |
veldleeuwerik, leeuwerik |
leeuwerik:
liewəreͅk (L416p Opglabbeek),
liewerk:
leewerk (L416p Opglabbeek),
līwɛrk (L416p Opglabbeek),
līəwəreͅk (L416p Opglabbeek)
|
(veld)leeuwerik || leeuwerik [ZND 01 (1922)], [ZND m] || leeuwerik: veldleeuwerik (17,5 zeer bekend; overal op het open veld, talrijk op trek; prachtige, luide, langdurige zang hoog in de lucht [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 29811 |
veldovensteen |
veldbrik:
vę ̞lt˱brek (L416p Opglabbeek)
|
Steen die is gebakken in een veldoven. Zie voor de woordtypen rijnvormsteen (L 315) en klinker (L 316, 320a, 364) de toelichting bij het lemma ɛbaksteenɛ.' [N 30, 53b; monogr.]
II-8
|
| 33505 |
veldsla |
veldsalade:
WBD/WLD
veldslāāj (L416p Opglabbeek)
|
Veldsla; de onderste bladeren zijn spatel- of lepelvormig, de hogere langwerpig en spits, bloempjes zijn klein en bleekblauw (veldkrop, veldsla, muizenoortje, korensla, witmoes). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 32842 |
veldstrengen |
eeghachten:
ē̜xhaxtǝ (L416p Opglabbeek),
eegstrengen:
ē̜xstrɛŋǝ (L416p Opglabbeek),
ploeghachten:
[ploeg]haxtǝ (L416p Opglabbeek),
ploegstrengen:
[ploeg]strɛŋǝ (L416p Opglabbeek),
strengen:
stręŋǝ (L416p Opglabbeek),
strɛŋǝ (L416p Opglabbeek),
veldhachten:
vɛlthaxtǝ (L416p Opglabbeek),
veldkettingen:
vɛltkęteŋǝ (L416p Opglabbeek)
|
De beide koorden of kettingen waaraan een paard via het zwenghout een akkerwerktuig voorttrekt; vergelijk afb. 98. Deze zijn gewoonlijk langer dan de strengen van een paard dat voor een kar of wagen gespannen is. Termen die toepasselijk zijn op de strengen en het zwenghout tezamen, zijn bijeengezet aan het einde van dit lemma. Voor varianten of delen daarvan in de ''...''-vorm zij verwezen naar de lemmata ''ploeg'' en ''zwenghout''. De in het vorige lemma onderscheiden typen eegdhaam, eeghaam, eghaam en hun varianten zijn hieronder meestal door ''eghaam'' resp. ''eghaam'' gesubstitueerd. [.IG 1b + 1c + 2c; N 11A, 103d; N 13, 57 + 58; div.; monogr.]
I-2
|
| 33696 |
veldweg |
karrenweg:
karǝwē̜x (L416p Opglabbeek)
|
Een niet-verharde, vaak met gras begroeide weg door het veld, waarlangs men vanaf het erf de akkers kan bereiken die niet aan de straat gelegen zijn. [N 5A, 75c; N P, 2; JG, 1a, 2b; L 37, 43; monogr.]
I-8
|
| 33240 |
veldwortel, stoppelwortel |
varkenspoten:
vɛrkǝspūtǝ (L416p Opglabbeek)
|
Daucus carota L. Wortelvariëteit vernoemd naar de teeltwijze. Indien het antwoord hetzelfde is als de algemene benaming uit het lemma Winterwortel, dan is deze hier niet nog eens opgenomen. [N Q, 6a; monogr.]
I-5
|
| 26403 |
velg |
velling:
vɛleŋ (L416p Opglabbeek),
(mv)
vęlęŋǝn (L416p Opglabbeek)
|
De oorspronkelijke betekenis van de term velg is "elk van de vier tot zes gebogen houten blokken, die samen de rand van het wiel vormen en waarin de spaken vastgemaakt worden". Een aparte term voor de volledige houten rand bestond oorspronkelijk niet. Er is verwarring rond de term gekomen bij de opkomst van de fiets- en de autowielen, waarvan de randen niet uit aparte deeltjes bestonden, maar die uit één stuk gemaakt waren. Deze randen werden ook "velgen" genoemd. De verwarring blijkt duidelijk uit het feit dat voor zowel het houten blok als voor de volledige rand dezelfde termen, velg en velling, werden opgegeven en in de opgaven verschijnt vaak het meervoud, vooral in de betekenis van "houten rand". Sommige opgaven zijn echter samenstellingen, waaruit de betekenis eenduidig blijkt. Deze woordtypes staan onder B. en C. geordend en betekenen resp. "houten blok" en "wielrand". [N 17, 65a-b + add; N G, 45a-b; JG 1a; JG 1b; JG 2b; A 4, 20a + c; L 20, 20c; monogr.]
I-13
|
| 26451 |
velkant |
vaste kant:
vastǝ ka.nt (L416p Opglabbeek)
|
De verticale zijde van de kerf die niet het eigenlijke maalwerk verricht. De velkant bevindt zich tegenover de maalkant. Zie ook afb. 77. [N O, 18m; Vds 195; Jan 204; Coe 186; Grof 221]
II-3
|