| 23547 |
velum |
velum (lat.):
veelum (L416p Opglabbeek)
|
Het velum [veeloem?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33475 |
venster onder een dakwelving |
lochtgat:
lōxt˲gāt (L416p Opglabbeek)
|
Bedoeld wordt een vertikaal venster of luik onder een welving van het dak in het dak. Het dient om de zolder te belichten en (vooral) te beluchten, minder om er iets door te steken. De vorm is vaak een halve cirkel (zie het lemma "half-cirkelvormig raam", 4.2.15). De benamingen zijn soms gelijk aan die van het dakvenster (zie dat lemma) of andere vensters in het dak. Zie ook het lemma "gat in eeen klein dakschild" (4.2.10). [N 4A, 45d]
I-6
|
| 30317 |
vensterbank |
overdorpel:
īǝvǝrdęrpǝl (L416p Opglabbeek),
vensterblad:
vęnstǝrblāt (L416p Opglabbeek)
|
Min of meer breed houten of stenen dekstuk aan de binnenzijde van een raam op hoogte van de onderdorpel. Zie ook afb. 57b. Een stenen vensterbank werd in P 48 van 'arduin' ('ardø̜̄n'), in K 314 van 'arduinsteen' ('ardoanstiǝn'), in L 366 van naamse steen en in K 317 van 'marmer' ('męlǝbǝr') vervaardigd. [N 55, 44b; S 39; L 8, 37b; L 31, 12b; L B1, 168; A 46, 10c; monogr.]
II-9
|
| 30336 |
vensterblinden |
blinden:
blęnǝ (L416p Opglabbeek),
vensterblinden:
venstǝrblęnǝ (L416p Opglabbeek)
|
Houten panelen of borden die aan de binnenzijde van het huis aan één of aan beide zijden van het raamkozijn zijn aangebracht. Men onderscheidt slag- of vouwblinden die draaiend geopend kunnen worden en schuif- of rolblinden die in een in de muur uitgespaarde ruimte geschoven kunnen worden. [N 55, 65b; A 23, 18b; A 46, 11c; L 32, 75a; RND 10, 49 add.; monogr.]
II-9
|
| 30332 |
vensterluiken |
vensterblinden:
venstǝrblęn (L416p Opglabbeek)
|
Zie kaarten. De houten panelen die draaiend aan de buitenkant van het huis aan beide zijden van het raam zijn aangebracht. Er bestaan ook losse vensterluiken die 's avonds voor het raam worden geplaatst en 's morgens weer verwijderd worden. Zie voor het woordtype 'vensters' ook Van Keirsbilck I pag. 466 s.v. 'venster': ø̄Ook dikwijls gebruikt in den zin van een beweeglijk luik vóór een venster, aan den buitenkant.ø̄ [N 55, 65a; A 23, 18a; A 46, 11a; L 1 a-m; L 32, 75b; L 1u, 17; L B1, 155; L A2, 409; rnd 49 add.; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 34131 |
ver uitspringende hielen |
kromme hielen:
krūm hīlǝ (L416p Opglabbeek),
sabelhakken:
sābǝlhakǝn (L416p Opglabbeek)
|
[N 3A, 144a; monogr.]
I-11
|
| 17914 |
verbergen |
verbergen:
verberge (L416p Opglabbeek),
vəRbeRgə (L416p Opglabbeek),
vərbeͅrgə(n) (L416p Opglabbeek)
|
verbergen [ZND 25 (1937)], [ZND m]
III-1-2
|
| 18159 |
verbinden van een wonde |
verbinden:
verbènen (L416p Opglabbeek),
vərbinnə (L416p Opglabbeek)
|
verbinden: Een wond verbinden (banden, verbinden, zwachtelen). [N 107 (2001)], [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19377 |
verdieping |
statie:
stāsī (L416p Opglabbeek),
verdiep:
verdeep (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
op het twiêde verdeep hauwe ze èè balkòn Verdeep òch mè ins erin wi-j vèè op det twiêd verdeep könne kòmme
verdeep (L416p Opglabbeek),
verdieping:
vərdeeping (L416p Opglabbeek)
|
De verzamelnaam voor een horizontale laag in een huis tussen twee vloeren (verdieping, verdiep, stagie) [N 79 (1979)] || etage || verdieping [ZND 12 (1926)]
III-2-1
|
| 24634 |
verdord |
dor:
WBD/WLD
dòr (L416p Opglabbeek),
uitgebloeid:
WBD/WLD
uutgəbliet (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
vergaan:
WBD/WLD
vərguun (L416p Opglabbeek),
vergangen:
WBD/WLD
vərgàngə (L416p Opglabbeek)
|
Uitgedroogd, dood, gezegd van planten en plantendelen (dor, verpieterd). [N 82 (1981)]
III-4-3
|