| 25362 |
verdoven |
neerslaan:
nē̜jrslōn (L416p Opglabbeek),
verduizelen:
vǝrdīsǝlǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het slachtvee verdoven alvorens het de keel door te snijden. Woordtypen als "schieten", "doodslaan", "houwen", "pin indrijven" geven aan hoe het verdoven in zijn werk gaat. [N 28, 6; N 28, 12b; monogr.]
II-1
|
| 18823 |
verdriet; verdriet doen |
chagrineren (<fr.):
Fr. chagriner
sjaggernère (L416p Opglabbeek),
krenken:
krènke (L416p Opglabbeek),
leed:
z. ook lei
leid (L416p Opglabbeek),
leed doen:
geleif mich, det diêj nich echt leid
leid doon (L416p Opglabbeek),
verdriet:
Bn. en bw. verdretig
verdreed (L416p Opglabbeek)
|
bedroeven, leeddoen || leed, verdriet || verdriet || verdriet doen || verdrieten
III-1-4
|
| 34155 |
verdrogen |
droogstaan:
drīxstǭn (L416p Opglabbeek),
verdrogen:
vǝrdrīgǝ (L416p Opglabbeek),
verzijen:
vǝrzīǝ (L416p Opglabbeek)
|
Minder melk gaan geven wegens drachtigheid. [N 3A, 72a]
I-11
|
| 17936 |
verdwenen |
foetsie:
fŏĕtsīē (L416p Opglabbeek),
weg:
weg (L416p Opglabbeek)
|
Weg, verdwenen: niet meer ter plaatse aanwezig (weg, verdwenen, rits, foetsie). [N 84 (1981)] || Weg, verdwenen: niet meer ter plaatse aanwezig zijn (weg, verdwenen, rits(e), foetsie, voert, voet) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 28622 |
verenigen van zwermen |
bijeenslaan:
bięjnslǭn (L416p Opglabbeek),
omkorven:
omkorven (L416p Opglabbeek),
verlappen:
verlappen (L416p Opglabbeek)
|
Wanneer een afgezwermd of afgejaagd volk of een opzetter in de winter te zwak is geworden, wordt dit volk of die opzetter verenigd met andere volken. Ook moet men vaak volken verenigen, wil men op het einde van het bijenjaar zoveel mogelijk nieuwe volken hebben. Bij het verenigen van twee volken moeten zij dezelfde geur krijgen om afstoting en gevechten te vermijden. Hiervoor kan de imker gebruik maken van verschillende technieken. Hij kan de bijen besproeien of besprenkelen met een geurafscheidende vloeistof of met suikerwater, of de bijen beroken. Het urineren in kasten of korven om eenzelfde geur te krijgen is een verouderde methode. De informant van L 271 zegt dat oude imkers vroeger een voor- en nazwerm in een lege korf deden. Dan ging er een doek over. Vervolgens werd de korf beplast, waarna hij geschud werd. Ook Eeckhout (pag. 191) vermeldt dit gebruik voor één plaats (Geraardsbergen), maar zegt dat deze methode zo goed als uitgestorven is. [N 63, 95a, N 63, 95b; N 63, 95c; N 63, 97; monogr.]
II-6
|
| 30596 |
verf |
verf:
vɛrǝf (L416p Opglabbeek)
|
Vloeibare substantie, gewoonlijk bestaande uit een poedervormige, kleurgevende stof en een bindmiddel. Verf wordt met behulp van een kwast, een roller of een spuit opgebracht, waarna zij in een harde laag opdroogt. [Wi 54; S 39; L A1, 82; N 67, 18a; monogr.]
II-9
|
| 30735 |
verflaag |
laag verf:
lǭx ˲vɛrv (L416p Opglabbeek)
|
Zie kaart. Uitgestreken hoeveelheid verf. [N 67, 77a; L 29, 28b; monogr.]
II-9
|
| 17924 |
verfrommelen |
fronsen:
gəfrōēnst (L416p Opglabbeek),
verfrommelen:
veͅrfroͅmələ (L416p Opglabbeek),
vərfrŏĕmelt (L416p Opglabbeek)
|
(papier) frommelen, verfrommelen [ZND 35 (1941)] || Frommelen, verfrommelen: kreukels maken in bijv. een zakdoek (frommelen, fommelen, fronselen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 28945 |
vergaartekens |
knipjes:
knepkǝs (L416p Opglabbeek)
|
Inknippingen en krijtstrepen of ook steken op de stof, eventueel inknippingen in het knippatroon en vandaar overgebracht op de stof, om exact de plaatsen aan te geven waar de diverse delen aaneengehecht moeten worden. [N 59, 49]
II-7
|
| 21453 |
vergaderen |
vergaderen:
vərgáádərə (L416p Opglabbeek)
|
ter vergadering bijeengekomen zijn, vergaderen [garen, gaderen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|