| 21063 |
peul |
schaal:
shaal (L362p Opitter),
sjaal (L362p Opitter)
|
groene schaal waarin erwten en bonen zitten [ZND 40 (1942)]
III-2-3
|
| 33508 |
peul, dop (znw) |
schaal:
schaal (L362p Opitter),
sjaal (L362p Opitter),
šāl (L362p Opitter)
|
[Goossens 1b (1960)] [ZND 40 (1942)]
I-7
|
| 33522 |
peulen, doppen (ww.) |
uitdoen:
oetdoon (L362p Opitter),
ū.dō.n (L362p Opitter)
|
[Goossens 1b (1960)] [ZND 40 (1942)]
I-7
|
| 33569 |
peulerwten |
schaalerwten:
šāleͅ.rtə (L362p Opitter)
|
[Goossens 1b (1960)]
I-7
|
| 25420 |
pezen |
pezen:
pɛ̄zǝ (L362p Opitter)
|
[N 28, 63; Veldeke 15, 22; monogr.]
II-1
|
| 21734 |
pezerik |
pezerik:
pēzǝręk (L362p Opitter)
|
De uitgesneden roede of zaadstreng van een mannelijk varken na het slachten. Veelal gebruikt men deze zaadstreng om er de zaag of schaaf mee in te smeren. Ook werkschoenen vet men ermee in. ''s Winters wordt hij als voer aan de vogels, vooral de mezen, gegeven, soms ook met de bedoeling om de vogels te vangen. [N 28, 71; N 28, 72; monogr.]
II-1
|
| 18806 |
piekeren |
dromen:
hè zaat altied te druime (L362p Opitter),
mijmeren:
hè zitj toa altied te mirmere (L362p Opitter),
prakkiseren:
prakkerzèere (L362p Opitter)
|
hij zat daar altijd te mijmeren (onder "mijmeren"verstaan we hier: over zijn zorgen zitten te denken, te piekeren, te prakkezeren) [ZND 39 (1942)]
III-1-4
|
| 17991 |
pijn |
pijn:
pin (L362p Opitter)
|
pijn: De handen van dat kleine kindje doen zeer [ZND 44 (1946)]
III-1-2
|
| 33055 |
pikbinder |
zelfbinder:
zɛ.lǝf˱bęi̯njǝr (L362p Opitter)
|
Machine die niet alleen maait, maar het koren ook tot schoven samenbindt. Zie afbeelding 6. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [machine] zie het lemma ''maaimachine'' (3.2.18) in aflevering I.3. Kaart 36 is een woordkaart gebaseerd op het materiaal uit dit lemma; kaart 37 is een betekeniskaart, gebaseerd op het materiaal uit dit lemma èn het lemma ''graanmaaimachine'' (4.5.2) en toont waar men met de termen zicht- en pikmachine ofwel de enkelvoudige maaimachine ofwel de combinatiemachine, pikbinder, aanduidt.' [N J, 4a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 26559 |
pin van het groot rad |
pin:
pe.n (L362p Opitter)
|
De op de velg van het groot rad bevestigde pinnen waarmee de molenaar het rad in beweging kan zetten. Zie ook afb. 87 en de toelichting bij het lemma ɛsteenreepɛ.' [Vds 208; Jan 191]
II-3
|