| 20774 |
muisjes |
muizenkeurtjes:
moêzekeûrkes (L288a Ospel),
uitsluitend mv.
moêzekuuërkes (L288a Ospel),
muizenkeuteltjes:
Gae zeetj vies van miene beêt, mer gae aetj miene scheet", zawcht de moês. Gae zeetj vies van miene môntj, mer gae aetj van miene kôntj", zawcht de moies
moêzekeutelkes (L288a Ospel),
uitsluitend mv.
moêzekuuëtelkes (L288a Ospel),
suikerkeurtjes:
Uitsluitend mv. Beschuût met sókkerkuuërkes
sókkerkuuërkes (L288a Ospel)
|
muisjes
III-2-3
|
| 33687 |
mulle grond |
mulle:
mølǝ (L288a Ospel)
|
Droge losse grond, zonder kluiten. [N 27, 37a; monogr.]
I-8
|
| 34069 |
muntige koe |
leeg vee:
lēx vī (L288a Ospel)
|
Koe die men een tijdlang vrij wil houden en daarom niet laat dekken als ze tochtig is. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 28]
I-11
|
| 27103 |
murw, gezegd van grauwe turf |
voos:
vuǝs (L288a Ospel)
|
[II, 110]
II-4
|
| 33627 |
mutsaard, houtmijt |
mutterdenmijt:
muttertenmiet (L288a Ospel)
|
houtmijt, stapel takkenbossen [N 27 (1965)]
I-7
|
| 30091 |
muur |
muur:
mōr (L288a Ospel)
|
Uit diverse materialen, bijvoorbeeld baksteen of beton, opgetrokken bouwwerk ter afscheiding of ter ondersteuning. In dit en de volgende lemmata wordt onder een 'muur' vooral een uit bakstenen samengestelde afscheiding verstaan. Het woord 'wand' wordt in het onderzoeksgebied meestal gebruikt voor een uit verticale en horizontale balken samengestelde muur die vervolgens met vlechtwerk of metselwerk wordt opgevuld. Zie ook de paragraaf over het vak- en vlechtwerk. Worden in een gebouw een of meer kelders aangebracht, dan worden de muren die de kelder omsluiten geheel van harde metselsteen en waterdichte mortel opgetrokken. Een muur die boven de grond wordt opgemetseld, noemt men een 'opgaande muur'. Bij de muren van gebouwen onderscheidt men buiten- en binnenmuren en de voor-, zij- en achtergevel, de muren die respectievelijk de voorzijde, de zijkant en de achterzijde van het bouwwerk vormen. [N 31, 32a; S 25; L 1 a-m; L 6, 41b; L 12, 5; monogr.; Vld]
II-9
|
| 24506 |
muurbloem |
fliertje:
cheirantus cheiri
fleerkes (L288a Ospel),
muurbloem:
-
moorbloom (L288a Ospel)
|
muurbloem [DC 17 (1949)] || muurbloem, soort
III-4-3
|
| 30205 |
muurplaat |
plaai:
plāj (L288a Ospel)
|
Zie kaart. De plank of balk waarmee de buitenmuur aan de bovenzijde wordt afgedekt en waarop het dakgebint rust. Muurplaten worden met behulp van ankers aan de muur bevestigd. Zie ook afb. 49b. Zie voor het woorddeel -worm in het woordtype onderworm ook het lemma 'Gording'. [N 4A, 14g; N 54, 156; monogr.; div.]
II-9
|
| 30178 |
muurstijlen |
pilaren:
pelē̜rǝ (L288a Ospel),
stijlen:
stīlǝ (L288a Ospel)
|
De verticale balken van het vakwerk. Zie ook afb. 46 en 47. [N 4A, 52a; monogr.]
II-9
|
| 26400 |
naaf |
naaf:
nāf (L288a Ospel)
|
De ronde blok in het midden van het wiel waardoor de as steekt en dat met de velg verbonden is via de spaken. Ter versterking worden er naafbanden rond aangebracht. Zie ook de lemmata middennaafbanden, muilband en achternaafband in II.11. [N 17, 58, 40, 50b; N G, 43; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; L 20, 20a; L 39, 21; A 4, 20a; monogr.]
I-13
|