| 25087 |
onbelangrijk |
weinig:
wēīnig (L288a Ospel)
|
weinig [DC 39 (1965)]
III-4-4
|
| 25149 |
onbewolkt |
klare lucht:
klaor lowcht (L288a Ospel)
|
wolkenloos, zonder wolken, gezegd van de lucht [uitgekeerd, uitgeklaard, klaar] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25092 |
onbruikbaar maken, verbruien |
verprutsen:
verprutsen (L288a Ospel)
|
onbruikbaar maken, zijn waarde doen verliezen [verworden, verdraaien, begaaien, verbruien, bederven, verpeuteren, nonen, verballemonden] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24637 |
ondereinde van de stam |
boks:
boks (L288a Ospel),
kont:
± WLD
ko‧nt (L288a Ospel)
|
Het dikke uiteinde van de stam, onderaan (voet, kont, gat, kop). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 27110 |
ondergrond |
ondergrond:
oŋǝrgront (L288a Ospel),
oŋǝrgrōnt (L288a Ospel)
|
De ondergrond van het veen die bij verpachting in bezit blijft van de gemeente. [II, 121b]
II-4
|
| 32640 |
ondergronder, woeler |
ondergronder:
ondǝrgrondǝr (L288a Ospel)
|
De ondergronder of woeler was een aparte ploeg zonder kouter en riester, maar met een lansvormige schaar of twee in tegenovergestelde richting geplaatste messen vóór op het ploeghoofd. Vaak werd de oude aanaardploeg tot ondergronder omgebouwd. Met deze ploeg, die vóór de gewone ploeg uitging of erop volgde, werd de ondergrond, de bodem van de voor opengebroken. Men kon ook met de gewone ploeg de ondergrond losrakelen, door op de plaats van de voorschaar of het kouter, dan wel aan of onder de ploeghiel een woelschaar, een woelhaak of woelmes aan te brengen. Aldus werd tegelijkertijd de bovengrond geploegd en de ploegzool opengebroken. [N 11, 33j; N 11A, 76a + 76b + 77; N 27, 14]
I-1
|
| 19395 |
onderkussen, peluw |
hoofdpeluw:
høͅi̯tpø͂ͅleŋ (L288a Ospel),
hoofdpulf:
høͅi̯tplø͂ͅx (L288a Ospel),
høͅi̯tpøͅləf (L288a Ospel),
høͅi̯tpøͅləft (L288a Ospel),
pulf:
plüg (L288a Ospel)
|
hoofdpeluw || Langwerpig, rond onderkussen onder het hoofdkussen (peul, pulling, uppeling, kopkussen) [N 79 (1979)] || peluw onder hoofdkussen
III-2-1
|
| 17619 |
onderlip |
onderlip:
ongerlup (L288a Ospel)
|
onderlip [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 19873 |
onderzetter |
treefje:
trīəfkə (L288a Ospel)
|
onderzetter
III-2-1
|
| 18947 |
ondeugend, stout |
ondeugend:
onduuëgentj (L288a Ospel)
|
ondeugend
III-1-4
|