| 19688 |
gieter |
gieter:
gītər (L163p Ottersum),
gī̄tǝr (L163p Ottersum),
gītǝr (L163p Ottersum)
|
Arbeider die kleiprodukten vervaardigt met behulp van het gietprocedé. Daarbij wordt een met water tot een dikke brei aangemaakte kleimassa door toevoeging van een zeer gering percentage (0,1-0,5%) van bepaalde chemicaliën (peptisatoren), dunvloeibaar. Met de aldus verkregen dunne kleipap giet men een meerdelige gietvorm vol. Na korte tijd zet zich aan de binnenkant van de gipsvorm een laagje klei af, aangezien het gips het overtollig water opzuigt. Wanneer de laag voldoende dik is, wordt de overmaat gietklei uitgegoten en na enige tijd is het voorwerp zover gekrompen, dat het van de gipswand loslaat. De gipsvorm wordt vervolgens uit elkaar genomen en de ontstane gietnaden van het voorwerp worden afgewerkt. Op deze wijze is men in staat gecompliceerde vormstukken in serie te vervaardigen. [N 49, 32b] || gieter || Werktuig dat wordt gebruikt bij het blussen van kleine hoeveelheden kalk, het bereiden van mortel, het bevochtigen van metselstenen etc. [N 30, 23a; monogr.]
II-8, II-9, III-2-1
|
| 20949 |
gist |
gist:
gist (L163p Ottersum),
gęst (L163p Ottersum),
zuurdeeg:
zurdēx (L163p Ottersum),
zuurdeegsel:
zurdęxsǝl (L163p Ottersum)
|
Door het feit dat de vragen niet alle even genuanceerd waren gesteld, komen er woorden voor die zowel moderne droge gist als natte gist als zuurdeeg aanduiden. Het zuurdeeg blijkt volgens sommige informanten (L 291, Q 35) voor het bereiden van zwartbrood of roggebrood gebruikt te worden, terwijl de gist of "heffe" voor witbrood wordt aangewend. [N 29, 22; LB 2, 234; monogr.; JG 1b, add.; S 10; L 1a-m; L 2, 21a; Gi; A 22, 2]
II-1
|
| 28864 |
git |
git:
get (L163p Ottersum)
|
Sieraad. Zwarte kraaltjes of glazige steentjes in verschillende vormen. [N 62, 60a; MW]
II-7
|
| 30745 |
glaceren |
lazuren:
lazȳrǝ (L163p Ottersum)
|
Bij hout- en marmerschilderen het aanbrengen van een dunne, doorschijnende verflaag die vervolgens met speciale kwasten wordt behandeld. Het lazuren (L 163, P 219) wordt gedaan met lazuurverf, een verf die het onderliggend materiaal laat doorschemeren. [N 67, 84a]
II-9
|
| 18687 |
glacé |
glac (fr.):
glacees (L163p Ottersum)
|
handschoenen van glanzend leer, glacés [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33739 |
gladde ijzerdraad |
gladde draad:
gladǝ drǭt (L163p Ottersum)
|
Het gladde ijzerdraad waarmee men weiden omheint. [N M, 6a; N M, 6b; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 30600 |
glansverf |
glansverf:
glāns˲[verf] (L163p Ottersum)
|
Verf die na droging een glanzend oppervlak vertoont. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '-(verf)' het lemma 'Verf'. [N 67, 19b; monogr.]
II-9
|
| 30783 |
glas in lood |
gebrand glas:
gǝbrānt ˲glas (L163p Ottersum),
glas in lood:
glas˱ in lōt (L163p Ottersum)
|
Samenstel van kleine, gekleurde ruitjes van gebrand glas, die in H-vormige loden roeden zijn gevat. Bij het aanbrengen van glas in lood worden de roeden zo ver als nodig uiteengebogen om het glas erin te plaatsen. Vervolgens worden ze weer aangedrukt en aan de hoeken en kruisingen aan elkaar gesoldeerd. [N 67, 89l; monogr.]
II-9
|
| 30788 |
glas snijden |
glas snijden:
glas snejǝ (L163p Ottersum)
|
Glas op maat snijden met behulp van een glassnijder. Zie ook het lemma 'Glassnijder'. [N 67, 90b]
II-9
|
| 30681 |
glasbreker |
glasbreker:
glas˱brē̜kǝr (L163p Ottersum)
|
IJzeren lemmet met inkepingen voor verschillende diktes van glas, dat wordt gebruikt wanneer de bij het glassnijden af te breken stroken glas te smal zijn om met de hand aan te vatten. [N 67, 58c]
II-9
|