| 33673 |
graszode |
grasrus:
(mv)
grasrø̜s (L163p Ottersum),
ros:
ros (L163p Ottersum),
rus:
rø̜s (L163p Ottersum),
vlag:
(mv)
vlagǝ (L163p Ottersum),
zode:
zōdǝ (L163p Ottersum)
|
Vierkant afgestoken stuk van de met gras begroeide bovengrond. Naar dialectbenamingen voor de graszode is vaak navraag gedaan getuige ook de bronnenopgave bij dit lemma. In verschillende enqu√™tes werd gevraagd naar de zode in het algemeen zowel de graszode als de heizode. De opgaven die betrekking hadden op de heizode zijn ondergebracht in lemma 3.14 ɛheizodeɛ.' [N 14, 77a; N 14, 77b; N 27, 39g; GV, K6; JG 1a, 1b; L 8, 123; L B2, 273; S 46; NE 2 II, 15; N 18, 38 add.; N 18, 40 add.; monogr.]
I-8
|
| 32539 |
grauw werk |
grauw werk:
grǫw wɛ̄rǝk (L163p Ottersum),
groen werk:
grȳn wɛ̄rǝk (L163p Ottersum)
|
Werk dat met grauwe, dus ongeschilde, wissen is gemaakt. [N 40, 14]
II-12
|
| 32538 |
grauwe korf |
groene korf:
grȳnǝ kø̜rǝf (L163p Ottersum)
|
Mand met hengsel, gemaakt van grauwe, dus ongeschilde, wissen. [N 40, 39]
II-12
|
| 32537 |
grauwe mand |
groene ben:
grȳnǝ bɛn (L163p Ottersum)
|
Mand met twee oren, gemaakt van grauwe, dus ongeschilde, wissen. Vgl. afb. 285. Zie voor het woordtype vatsmand en vatsmandel ook het lemma ɛmaatmand (soorten)ɛ.' [N 40, 38]
II-12
|
| 33889 |
grauwe staar |
(het heeft een) maanoog:
mē̜nōx (L163p Ottersum)
|
Een meer of minder sterk troebel en ondoorzichtig worden van de ooglens. De gewone kleur van de ogen verandert in blauwwit. Deze kwaal, meestal een gevolg van maanblindheid (zie het lemma ''maanblind paard; (7.9)), kan tot gehele of gedeeltelijke blindheid leiden. [A 48A, 39c; N 52, 27]
I-9
|
| 24162 |
grauwe vliegenvanger |
spinmusje:
spinmu.ske (L163p Ottersum),
spinvretertje:
spinvrèèterke (L163p Ottersum)
|
grauwe vliegenvanger
III-4-1
|
| 32478 |
grauwe wis |
groene wis:
grȳnǝ wes (L163p Ottersum)
|
Gedroogde wis die men ongeschild verwerkt. [N 40, 13; monogr.]
II-12
|
| 29516 |
graveren |
uitkrabben:
ytkrabǝ (L163p Ottersum)
|
In de op het produkt aangebrachte en voldoende gedroogde engobe graveren met een naald zodat de onderklei in reliëf zichtbaar wordt. [N 49, 44b]
II-8
|
| 30334 |
grendelboom |
slagijzer:
slax˱īzǝr (L163p Ottersum)
|
Platijzeren boom die in gesloten toestand dwars over de vensterluiken loopt. De boom is aan de uiteinden cirkelvormig uitgesmeed en van ogen voorzien. Door het ene oog wordt de boom met een kram op de kozijnstijl bevestigd, terwijl door het andere oog een lange bout gaat die in een door de kozijnstijl geboord gat wordt gestoken. De bout wordt vervolgens aan de binnenzijde met een splitpen vastgezet. [N 55, 72a]
II-9
|
| 30368 |
grendelslot |
poortslot:
pōrtslǫt (L163p Ottersum)
|
Slot waarvan de schuifbout met behulp van een sleutel vergrendeld kan worden. Het grendelslot wordt toegepast bij tuindeuren, hekken, etc. Zie ook afb. 67. [N 54, 104b]
II-9
|