| 29064 |
ondermouw |
onderkant:
øndǝrkānt (L163p Ottersum),
ondermouw:
ondǝrmǫw (L163p Ottersum)
|
Gedeelte van een tweedelige mouw dat zit aan de kant van het lichaam. Verschillende informanten noemen de ondermouw het onderste gedeelte van de mouw (L 282, Q 99*) of het gedeelte van de mouw onder de oksel (L 265, L 298a, L 299). Zie afb. 49. [N 62, 34c; MW]
II-7
|
| 18421 |
ondermouw [wld ii.7, p.84-85] |
ondermouw:
Onderkant.
óndermòw (L163p Ottersum)
|
Hoe noemt U de ondermouw (oksel?). Wat bedoelt U daarmee? [N 62 (1973)]
III-1-3
|
| 18177 |
ondermuts |
ondermuts:
WLD
undermuts (L163p Ottersum)
|
mutsje, zwarte ~ dat onder de grote witte poffermuts wordt gedragen [ondermuts] [N 26 (1964)]
III-1-3
|
| 25509 |
onderoven |
onderoven:
ōwndǝrǭvǝ (L163p Ottersum)
|
De ruimte beneden in de oven. Deze onder-oven heeft zowel in het bakhuis als in de bakkerij verschillende gebruiksmogelijkheden. De as wordt erin geborgen en eventueel wordt het hout erin gedroogd. Soms functioneert deze ruimte als rijsplaats voor het brood. Aardappelen kunnen erin bewaard worden evenals rapen, wortelen en bieten. Zelfs broedgrage hennen worden erin opgesloten (Weyns 68). De informant van Q 97 vermeldt nog de functie van "weegplaats voor fruit" voor deze onveroven, waarvan de informant uit L 269a zegt dat die zes vierkante meter groot is. Zie afb. 10. [N 29, 5a; N 29, 5b; monogr.]
II-1
|
| 30299 |
onderraam |
onderraam:
ōndǝrrām (L163p Ottersum)
|
Het onderste, beweegbare gedeelte van een schuifraam. [N 55, 39b]
II-9
|
| 30281 |
onderregel |
onderregel:
ōndǝrrēgǝl (L163p Ottersum)
|
De onderste horizontale plank van de vergaring van een paneeldeur. [N 55, 26d; monogr.]
II-9
|
| 30430 |
onderslagbalk |
lateibalk:
latęjbalǝk (L163p Ottersum),
onderslagbalk:
ōndǝrslax˱balǝk (L163p Ottersum)
|
De balk die ter versteviging haaks onder een balklaag doorloopt. [N 54, 119a; N 54, 119b]
II-9
|
| 33438 |
onderste balken van de schelf |
balkhout:
balǝkhõ̜lt (L163p Ottersum)
|
De onderste balken van een schelf zijn ruwe, onbewerkte balken of boomstammetjes die op de gebintbalken rusten en naast elkaar gelegd de onderste laag van de schelf vormen. Zij zijn meestal rond. Zie ook het lemma "balken van de zolder boven de dorsvloer" (3.2.5). Zjidden is oorspronkelijk aan het Franse ''gîtes'' , dat in het volgend lemma in de term ''contre-gîtes'' voorkomt, ontleend, met herinterpretatie van de ''t'' tot een ''d'' vanuit het enkelvoud. Zie ook afbeelding 16.a bij het lemma "hooizolder, koestalzolder, schelf" (3.4.1).' [N 4, 68; N 4A, 13a; monogr.]
I-6
|
| 33065 |
onderste band van de schoof |
onderste band:
øndǝrstǝ(m) [band] (L163p Ottersum)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''garveband'' (4.6.9). Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) band het lemma ''garveband'' (4.6.9). [N 15, 22a]
I-4
|
| 31712 |
onderste handvat |
(onderste) knak:
knak (L163p Ottersum),
øndǝrstǝ knak (L163p Ottersum),
(onderste, linkse, tweede, kort) handvat:
hant˲vāt (L163p Ottersum),
korte knag:
kǫrtǝ knax (L163p Ottersum),
onderknak:
øndǝrknak (L163p Ottersum)
|
Het onderste handvat van de steel van de zeis, dat in de rechterhand wordt gehouden. Doorgaans is dit het korte handvat van model A, zoals beschreven in de algemene toelichting van deze paragraaf en in de toelichting bij het lemma ''steel van de zeis''; daar zijn ook de gegevens opgenomen omtrent de localisatie van model B, waarvan het onderste handvat in de kromming van de steel zit of waar dit handvat lang en T-vormig is. Om de varianten van de substantiva onder één woordtype bijeen te houden en een vergelijking met de opgaven voor het bovenste handvat te vergemakkelijken, zijn de adjectiva (onderste, korte, kleine, enz.) als facultatief in het hoofdwoordtype opgenomen. Zie afbeelding 4, A2 en B2.' [N 18, 67c; N C, 3b2; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-3
|