| 21270 |
bieden |
bieden:
bijə (L163p Ottersum)
|
bieden [RND]
III-3-1
|
| 20830 |
bier |
bier:
bîer (L163p Ottersum)
|
bier [RND]
III-2-3
|
| 20640 |
bierpap |
bierpap:
bierpap (L163p Ottersum),
Syst. WBD
bierpap (L163p Ottersum)
|
Bierpap (beerslemp?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20665 |
biersoep |
biersoep:
Syst. WBD
biersoep (L163p Ottersum)
|
Soep, hoofdzakelijk gemaakt van bier (biersoep, beersop, bierzuipe) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24522 |
bies |
bies:
bie.s (L163p Ottersum)
|
bies
III-4-3
|
| 33502 |
bieslook |
pijpjeslook:
piepkeslook (L163p Ottersum)
|
bieslook
I-7
|
| 33252 |
bietenkapmes |
hiep:
hīp (L163p Ottersum),
lang mes:
laŋ mɛs (L163p Ottersum)
|
Speciaal voor dit doel vervaardigd lang gebogen mes, "met een handvat als van een zaag", merkt de zegsman in L 322 op. Het werd gedaan met een "gewoon mes", een "broodmes" in: K 278, 357, L 211, 265, 282, 286, 291, 314, 322a, 324, 355, 355a, 366, 413, 416, 420, P 176, Q 2, 4, 72; met "de sikkel" in K 359, L 331, 355, 370, 374, Q 2, 2b, 99*; onder de "zessel" en de "hiep" wordt een hakmes verstaan. [N 12, 47; monogr.]
I-5
|
| 33251 |
bietenkopper |
bietenkopper:
bitǝkǫpǝr (L163p Ottersum),
schoffel:
sxufǝl (L163p Ottersum)
|
Schoffelvormig stuk gereedschap gebruikt om loof van bieten af te steken, soms als deze nog in de grond staan, soms ook als ze al gerooid zijn. In de volgende plaatsen wordt opgemerkt dat voor dit afsteken de schup of de spade wordt gebruikt: L 163, 163a, 164, 165, 215, 266, 324, 329, 371a, 383, 416, 429a, Q 14, 94b, 101, 111 en 198b. Als er sprake is van een kapmes is de opgave in het lemma Bietenkapmes ondergebracht. [N 18, 54; monogr.; add. uit N 12, 47]
I-5
|
| 33249 |
bietenloof, bladerkroon |
groen:
grȳn (L163p Ottersum),
mangelenkoppen:
maŋǝlǝkø̜p (L163p Ottersum),
toppen:
tø̜p (L163p Ottersum)
|
De bladeren van de bietenplant. [N 12, 46; L 30, 34b; monogr.; add. uit N 12, 48]
I-5
|
| 33254 |
bietenmolen |
reubenmolen:
rybǝmø̄lǝ (L163p Ottersum),
suikerreubenmolen:
sykǝrrȳvǝmø̄lǝ (L163p Ottersum)
|
Instrument om voerderbieten in brokken te malen zodat de beesten deze eten kunnen. [N 18, 108; add. uit N 5A, 34d]
I-5
|