| 20165 |
spenen |
spenen:
spēnǝ (L163p Ottersum),
van het paard doen:
van t pē̜rt dūn (L163p Ottersum)
|
Het veulen het zuigen ontwennen. [JG 1a, 1b; N 8, 59]
I-9
|
| 24247 |
sperwer |
kuikenstoter:
kuukesteuter (L163p Ottersum),
kuukestuuter (L163p Ottersum)
|
sperwer || sperwer / havik (35 / 55 vrij ronde vleugels en lage staart; gestreepte onderkant, gele ogen; komen onverwachts laag aanvliegen en grijpen dan de verraste prooi; de kleine soort vaak op trek; s winters ook in stad en dorp; de grote broedt zeldzaam in g [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 33513 |
sperziebonen |
breekbonen:
brèèkboon (L163p Ottersum),
polbonen:
polboon (L163p Ottersum),
struikbonen:
stroekboon (L163p Ottersum)
|
polboon || spercieboon || stamboon
I-7
|
| 30350 |
speun |
poortgeheng:
pǭrt˲gǝheŋ (L163p Ottersum)
|
Soort scharnier voor kleine deuren. De speun bestaat uit een plaatje met kleine stift dat op de boven- en onderkant van kleine deuren, bijvoorbeeld van kasten, wordt aangebracht. In de omtimmering daartegenover wordt een vergelijkbaar plaatje met gat geschroefd waarin de stift van de speun kan worden gestoken. [N 54, 91; monogr.]
II-9
|
| 31980 |
speunmal |
mal:
mal (L163p Ottersum)
|
Mal waarmee speunen op de zijkant van een deur kunnen worden afgeschreven. Een speun is een soort scharnier die vooral bij kleine deuren wordt aangebracht. Zie ook afb. 106 en het lemma ɛspeunɛ in Wld II.9, pag. 138. Het werken met de speunmal werd in L 387 afkruisen (āfkrȳtsǝ) genoemd.' [N 53, 196b]
II-12
|
| 26360 |
spie |
kijl:
kīl (L163p Ottersum),
spie/spij:
spi(i̯) (L163p Ottersum)
|
De zeisring, die steel en blad verbindt, wordt vastgeslagen door middel van een spie, of door twee of meer spietjes. Doorgaans zijn ze van hout, omdat deze het beste vast blijven zitten; soms vindt men ook een ijzeren spie, vaak in combinatie met een houten. Zie ook de toelichting bij het lemma ''zeisring'', en afbeelding 4, nummer A4 en B4. [N 18, 67e; JG 1a, 1b, 2c; add. uit A 14, 2]
I-3
|
| 19804 |
spiegel |
deurspiegel:
dø̄rspīgǝl (L163p Ottersum)
|
Elk van de door de dwars- en spiegelklampen omlijste vakken. [N 55, 23e]
II-9
|
| 30778 |
spiegelglas |
spiegelglas:
spigǝlglas (L163p Ottersum)
|
Gegoten glas dat door slijpen en polijsten geheel doorzichtig is geworden. Spiegelglas kan in grote diktes en afmetingen geleverd worden en wordt vooral voor winkelruiten gebruikt. [N 67, 89g]
II-9
|
| 30274 |
spiegelklampen |
staande klampen:
stǭndǝ klāmpǝ (L163p Ottersum),
steekklampen:
stē̜kklāmpǝ (L163p Ottersum)
|
De staande planken die langs de lengtezijden van de deur verbonden zijn met de dwarsklampen. [N 55, 23d]
II-9
|
| 32062 |
spijker, nagel |
nagel:
nāgǝl (L163p Ottersum)
|
In het algemeen het puntige, metalen staafje, waarmee iets vastgezet kan worden. [monogr.]
II-12
|