| 20323 |
sterven |
doodgaan:
dood gaon (L163p Ottersum),
kapotgaan:
kǝpot˲gǭn (L163p Ottersum),
sterven:
staerve (L163p Ottersum)
|
Doodgaan, gezegd van een dier. [N 38, 17b] || sterven van een mens [N 38 (1971)]
I-11, III-2-2
|
| 24822 |
sterven van een plant |
kapot gaan:
kepót gaon (L163p Ottersum)
|
sterven van een plant [N 38 (1971)]
III-4-3
|
| 32913 |
steunhoutjes tussen steel en balk |
kijlen:
kilǝ (L163p Ottersum),
steun:
stø̄n (L163p Ottersum)
|
Het schuine verbindingstuk tussen de steel en de dwarsbalk van de hooihark, dat ter versteviging van de hark in zijn geheel dient. Vaak ziet men twee van dergelijke steunhoutjes; vandaar de meervoudsvormen in de opgaven. Voor de verscheidenheid aan benamingen, zie ook de opmerking bij de het lemma ''dwarsbalk van de hooihark''. Zie voor de vork- en gaffel-benamingen de toelichting bij het lemma ''steel van de hooihark''. Zie ook afbeelding 11, c. [N 18, 92c]
I-3
|
| 29981 |
steunklos |
rustklos:
rø̜̄sklǫs (L163p Ottersum)
|
Houten klos die op de staander wordt gespijkerd. Op de klos rust de optopper, waarmee de steiger wordt verlengd. Zie ook afb. 19. [N 32, 5c; monogr.]
II-9
|
| 30319 |
steunlijst |
belegstuk:
bǝlęxstøk (L163p Ottersum)
|
Lijst die bevestigd is aan de onderzijde van de vensterbank van een vensterkozijn. Zie ook afb. 57f. [N 55, 44d]
II-9
|
| 34622 |
steunpaal voor opgeslagen hoogkar |
stutboom:
støt˱bom (L163p Ottersum)
|
Lange steunpaal welke men plaatst onder de berries van een opgeslagen hoogkar. [N 17, 82]
I-13
|
| 33444 |
steunsels in de bovenhoeken van een poort |
schoren:
sxǭrǝ (L163p Ottersum)
|
In de bovenhoeken van een poort zijn soms ook paaltjes aangebracht om het kozijn te steunen of alleen maar ter versiering. Deze paaltjes zijn lichter dan die in de benedenhoeken. Enkelvoudige opgaven benoemen een van de steunpaaltjes aan weerskanten van een opening. Zie ook afbeelding 18.b bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 42g]
I-6
|
| 34050 |
stier |
stier:
stīr (L163p Ottersum),
var:
var (L163p Ottersum)
|
Mannelijk, niet gecastreerd rund. [JG 1a, 1b; A 4, 12; Gwn V, 1; L 7, 46; L 14, 14; L 20, 12; R 3, 38; S 35; Wi 14; monogr.; add. uit N 3A, 15]
I-11
|
| 18003 |
stijf van vingers en handen |
stijf:
stief (L163p Ottersum)
|
stijf, van vingers en handen gezegd [scheef] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 19641 |
stijfsel |
stijf:
stif (L163p Ottersum),
stīf (L163p Ottersum),
stijfsel:
stifsəl (L163p Ottersum)
|
stijfsel
III-2-1
|