| 33126 |
stro binden |
opbinden:
ǫp˱bindǝ (L163p Ottersum)
|
Het uitgedorste stro wordt tot bussels samengebonden.Vergelijk ook het lemma ''schoven binden'' (4.6.2). Opgaven van het type "bussels maken" zijn hier niet opgenomen; het zelfstandig naamwoord is in het lemma ''bussel uitgedorst stro'' (6.1.27) opgenomen. [N 14, 25 en 28; monogr.]
I-4
|
| 33856 |
strompelend lopen bij het aantrekken |
strompelen:
strumǝlǝ (L163p Ottersum)
|
[N 8, 62k, 73, 79 en 80]
I-9
|
| 24852 |
stronk van een struik |
klos:
ps. invuller twijfelt over het antwoord!
klòs ? (L163p Ottersum)
|
wortelklomp van een struik [N 27 (1965)]
III-4-3
|
| 33715 |
stronk, boomstronk |
boks:
boks (L163p Ottersum),
klos:
klos (L163p Ottersum),
stronk:
strōŋk (L163p Ottersum)
|
Wat blijft staan, de stomp met wortels, als een boom omgehakt is. [N 27, 8a; R 3, 2; Wi 11; L 7, 59; L B2, 343; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33591 |
stronk, stengel van koolplanten |
stronk:
streunk (L163p Ottersum)
|
koolstengels die op het veld blijven staan [N Q (1966)]
I-7
|
| 24384 |
strontvlieg |
strontvlieg:
stró.ntvlie.g (L163p Ottersum)
|
strontvlieg
III-4-2
|
| 32628 |
strooibak voor kunstmest |
emmer:
emǝr (L163p Ottersum),
zaaibak:
[zaaibak] (L163p Ottersum),
zaaislob:
[zaaislob] (L163p Ottersum)
|
De bak waarin de met de hand te strooien kunstmest voort gedragen wordt, is heel vaak dezelfde bak die gebruikt wordt om graan te zaaien. Waar dit het geval is, zijn de betreffende woorden (zaaibak, -korf, -mand, -kerp, -kaar, zaadbak, -korf, -kaar), waarvan men de dialectvarianten aantreft in het lemma zaaikorf, hier slechts in de woordtypevorm opgenomen. Daarnaast zijn er benamingen die duidelijk alleen van toepassing zijn op de kunstmeststrooibak. Om de kunstmest te verspreiden werd er ook wel gebruik gemaakt van een oude emmer. Dit was het geval bij erg kleine bedrijven, bij de bemesting van kleine percelen (ook de tuin), bij kleine hoeveelheden kunstmest (zeker in het begin van de kunstmestperiode, ook als er guano gestrooid werd), of als de boer geen zaaibak had. Men kan zich voor het strooien van kunstmest ook bedienen van de ter plaatse gebruikelijke voorschoot voor het zaaien van granen. Daarom worden benamingen als zaaikleed, -slob, -scholk, scholk en voorschoot veelal slechts als type vermeld. De dialectvarianten daarvan vindt men in het lemma zaaikleed. [JG 1a + 1b add.; N 15A, 3 + 4; N 18, 109 + 110 add.; N P, 19 add.]
I-1
|
| 25574 |
strooien |
meel strouwen:
mē̜l strǫwǝ (L163p Ottersum)
|
Strooien van meel om aankleven van het deeg aan de bank te voorkomen. [N 29, 31a; N 299, 30b; monogr.]
II-1
|
| 25575 |
strooimeel |
bankmeel:
bāŋkmē̜l (L163p Ottersum)
|
Meel dat bij het bewerken van deeg hetzij op de werkbank hetzij op het deeg zelf gestrooid wordt om het kleven te verhinderen. Ten aanzien van het woordtype "grint" zij opgemerkt dat de informant de betekenis "gemalen kleien" hiervoor opgeeft. [N 29, 31b; N 29, 31a; monogr.]
II-1
|
| 22041 |
strooisel |
strooi:
strǫi̯ (L163p Ottersum),
strooisel:
strǭi̯sǝl (L163p Ottersum),
strouwsel:
strǫu̯sǝl (L163p Ottersum)
|
Dat wat in de stal onder het vee wordt gestrooid. Dat kan vers stro zijn maar ook gehakt stro of afval na het wannen van gedorst graan. Verder gebruikte men bladeren uit hagen, eiken- en beukenbos en loof van struiken eveneens als strooisel. [N 6, 10; L 7, 61b; JG 1a, 1b, 2b-1 add.; N 18, 41 add.; monogr.]
I-11
|