| 17937 |
vlug lopen |
dieselen:
diesele (L163p Ottersum),
drie lopen:
drèj loope (L163p Ottersum),
dréj loope (L163p Ottersum)
|
lopen: snel lopen [rekke, dabbere, op ne steile gaon] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 34016 |
vlugger |
hot:
hǫt (L163p Ottersum)
|
Voermansroep om het paard sneller te doen gaan. [N 8, 95g]
I-10
|
| 33867 |
vocht afscheiden |
tekenen:
tęi̯kǝnǝ (L163p Ottersum)
|
[N 8, 45, 46 en 48]
I-9
|
| 25614 |
vocht waarmee het brood wordt gewassen |
water:
wǭtǝr (L163p Ottersum),
wieks:
wiks (L163p Ottersum)
|
Op grond van de vraagstelling in N 29, 51 ("Waarmee wordt het brood, nadat het uit de oven is gehaald, gewassen?") vielen de antwoorden uiteen in benamingen voor een "vloeistof" en benamingen voor "borstel" of "lap". De opgaven zijn daarom gesplitst in twee lemmata. Het opgegeven woordtype "aardappelmeel" is niet opgenomen, omdat het op een vaste substantie duidt. Volgens de informant van Q 187a bestaat de "wieks" uit water en zetmeel. [N 29, 51]
II-1
|
| 33874 |
vochtafscheiding uit de tepels als teken van zwangerschap |
(ze heeft) was in de deem:
was ęn dǝ dēm (L163p Ottersum)
|
Er zijn diverse uitdrukkingen ter aanduiding van de komende geboorte van het veulen. De eerste tekenen die op een naderende geboorte wijzen, zijn de volgende: de merrie wordt onrustig en drentelt door haar stal, terwijl ze regelmatig tekenen van krampen en pijn (weeën) vertoont. De hars die zich aan de spenen heeft gevormd, druipt er nu af en de banden zijn los, d.w.z. de spieren aan beide zijden van de staartwortel zijn slap. [N 8, 51]
I-9
|
| 33229 |
voederbieten |
mangelen:
maŋǝlǝ (L163p Ottersum),
mangelwortelen:
maŋǝlwǫrtǝlǝ (L163p Ottersum),
reuben:
rȳbǝ (L163p Ottersum),
suikerreuven:
sykǝrȳvǝ (L163p Ottersum)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris. De algemene benaming van de bieten die gekweekt worden om als veevoeder te worden gebruikt. De voederbiet groeit grotendeels boven de grond, in tegenstelling tot de suikerbiet waarvan alleen de bladerkruin boven de grond uitkomt. De plant gedijt het best op losse vochthoudende zandgrond en verdraagt zware stalmest- of gierbemesting. Het is vanouds een in Limburg veel verbouwd veevoeder dat in het eigen gemengde bedrijf werd benut. Voor de fonetische documentatie van het tweede woorddeel in de samenstellingen zoals voederbieten, waarvan dat tweede element ook als enkelvoudig woord in het lemma voorkomt, zie onder dat enkelvoudig woord, i.c. bieten. In de vragenlijsten is steeds naar de meervoudsvorm gevraagd. [N 12, 38; N 12A, 1; JG 1a, 1b, 1d, 2b, 2c; A 13, 2b; L 43, 4b; monogr.]
I-5
|
| 34287 |
voedermik |
roerholt:
rȳrhǭlt (L163p Ottersum)
|
Een korte, houten gaffel waarmee men het veevoer in de koe- of varkensketel roert. [N 18, 31; monogr.]
I-11
|
| 33268 |
voederwikke |
wikke(n):
wek (L163p Ottersum)
|
Vicia sativa L. subsp. sativa. Een tot 1 meter hoge klimmende plant met en vrij stevige stengel, veervormige blaadjes, rood- blauwpaarse lipvormige bloemen en boonachtige vruchtjes. De plant bloeit van mei tot juli en wordt vooral op zandgronden als voedergewas geteeld. Vergelijk ook het lemma Vogelwikke [N Q, 1a; N 11A, 29d; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit N P, 23 en 24]
I-5
|
| 20483 |
voedsel |
eet, de -:
ēͅt (L163p Ottersum)
|
eten, maaltijd
III-2-3
|
| 30159 |
voeg |
voeg:
vūx (L163p Ottersum)
|
De ruimte tussen de metselstenen van een bouwwerk die met voegmortel wordt gevuld. Men onderscheidt doorgaande voegen in de lengterichting van het metselwerk, de lintvoegen, en de voegen die daar loodrecht op staan, de stootvoegen. [N 32, 29a; monogr.]
II-9
|