| 32702 |
de wintervoor ploegen |
balkvoren:
balǝk˲vōrǝ (L163p Ottersum),
met een grote voor bouwen:
met˱ ęn grōtǝ vōr bǫu̯ǝ (L163p Ottersum),
omflatsen:
omflatsǝ (L163p Ottersum),
wintervoren:
wēntǝrvōrǝ (L163p Ottersum)
|
Als een akker niet gezaaivoord hoefde te worden voor wintergraan, werd hij in het najaar in brede, ondiepe voren omgeploegd of op walletjes gelegd. De grond kon dan in de wintertijd goed "uitvriezen" en het regen- en sneeuwwater beter opnemen. Bij het ploegen van de wintervoor werd ook wel mest oppervlakkig in de grond gewerkt. Voor het (...)-gedeelte van varianten zie men het lemma wintervoor. [N 11, 59a; N 11A, 110b + 113a + 137n; A 27, 24b; A33, 17; div.]
I-1
|
| 31768 |
de zaag ontspannen |
afspannen:
afspanǝ (L163p Ottersum)
|
Het zaagblad van de spanzaag op lagere spanning brengen door het spantouw met behulp van het spanlatje losser te draaien. [N 53, 32b]
II-12
|
| 31767 |
de zaag spannen |
spannen:
spanǝ (L163p Ottersum)
|
Het zaagblad van de spanzaag op grotere spanning brengen door het spantouw met behulp van het spanlatje aan te draaien. [N 53, 32a; N I, 1b add.; monogr.]
II-12
|
| 31777 |
de zaagtanden stellen |
gangbaar maken:
gaŋbar mākǝ (L163p Ottersum),
in orde maken:
en ǫrdǝ mākǝ (L163p Ottersum)
|
Een zaag gereedmaken om te kunnen zagen. Het stellen van de zaag gebeurt in drie fases. Allereerst worden de afgesleten zaagtanden met behulp van een stijkvijl weer even lang gemaakt. Vervolgens worden de zaagtanden door middel van een zaagzetter of zaagzettang afwisselend naar de ene en naar de andere kant weggebogen. Tot slot worden de zaagtanden nog bijgevijld met een zaagvijl. De in dit lemma opgenomen woorden benoemen de bewerking van het stellen als geheel. [N 53, 24c; monogr.]
II-12
|
| 31778 |
de zaagtanden strijken |
afstrijken:
afstrīkǝ (L163p Ottersum)
|
De door het gebruik ongelijk afgesleten zaagtanden aan de punten plat afvijlen om ze weer even lang te maken. Zie ook het lemma ɛstrijkvijlɛ.' [N 50, 37c; N 53, 24d; monogr.]
II-12
|
| 31783 |
de zaagtanden vijlen |
scherpmaken:
sxē̜rǝp mākǝ (L163p Ottersum)
|
De zaagtanden na het zetten met behulp van een, meestal driekantige, vijl scherp maken. [N 50, 37c; N 53, 24b-c; monogr.]
II-12
|
| 31780 |
de zaagtanden zetten |
trekken:
trękǝ (L163p Ottersum),
zetten:
zętǝ (L163p Ottersum)
|
De zaagtanden afwisselend naar links en naar rechts buigen om de snede van de zaag breder te maken dan het zaagblad. Op deze wijze gaat de zaag beter door het hout. Het zetten van de zaagtanden wordt gedaan met behulp van de zaagzetter of de zaagzettang. Zie ook deze lemmata. [N 50, 37a; N 53, 24a; N 53, 24c; monogr.]
II-12
|
| 34344 |
de zeug naar de beer brengen |
beren:
bērǝ (L163p Ottersum),
drijven:
drīvǝ (L163p Ottersum)
|
De zeug laten dekken door de beer, het mannelijk varken. [N 19, 30; JG 1a, 1b, 2c; N 76, add.; monogr.]
I-12
|
| 28993 |
de zoom afspelden |
afspelden:
afspɛlǝ (L163p Ottersum)
|
De zoom geheel met spelden bezetten. [N 62, 13b; N 62, 13a; MW]
II-7
|
| 28992 |
de zoom aftekenen |
aftekenen:
aftęjkǝnǝ (L163p Ottersum)
|
Met krijt of een rokkenspuit de zoomlijn aftekenen op een te maken kledingstuk. [N 62, 13a; N 62, 13b]
II-7
|