| 34246 |
melkafromer |
afromer:
ā.fromǝr (L314p Overpelt),
āfru.ǝmǝr (L314p Overpelt),
āfrūǝmǝr (L314p Overpelt)
|
De afromer scheidt de roomlaag van de melk. Dit scheiden kan gebeuren door een grote schuimspaan of een houten lepel te gebruiken. Met een houten latje kan men room tegenhouden, terwijl de ontroomde melk door de tuit van de in schuine stand gehouden plateel of teil vloeit. Men kan de room eenvoudig met een vinger wegdoen of men kan die wegblazen. Moderner is de scheiding van room en melk met een melkmachine of centrifuge. [N 12, 57 en 58; JG 1a, 1b; A 23, 3; monogr.]
I-11
|
| 21288 |
melkboer |
melkboer:
mɛləgbû.r (L314p Overpelt)
|
melkboer [RND]
III-3-1
|
| 34226 |
melken |
melken:
mɛ.lǝkǝn (L314p Overpelt),
mɛlkǝ (L314p Overpelt)
|
Melk uit de uiers van de koe drukken. Zie afbeelding 9. [L 38, 44; JG 1a, 1b; Wi 26; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 33778 |
melkgebit |
veulenstanden:
vø̄.lǝstān (L314p Overpelt)
|
Tot twee en een half à drie jaar hebben de paarden een melkgebit of veulenstanden. De twee middelste snijtanden komen door in de eerste levensweek van het veulen (soms zijn ze bij de geboorte al aanwezig), binnen een maand of zes weken gevolgd door de snijtanden ernaast. De twee laatste snijtanden volgen tussen de zes en negen maanden, waarna het melkgebit compleet is. De veulenstanden zijn wit van kleur in tegenstelling tot het wat gelige vast gebit en lopen naar de basis toe in een punt uit. [JG 1a, 1b; N 8, 18a]
I-9
|
| 34079 |
melkgebit van kalveren |
kalvertanden:
kalvǝrtānt (L314p Overpelt),
melkbakkes:
mɛlkbakǝs (L314p Overpelt)
|
[N 3A, 108a]
I-11
|
| 34346 |
melkgift van de zeug |
zok:
˲sōk (L314p Overpelt)
|
[N 19, 20]
I-12
|
| 19514 |
melkkannetje |
melkpot:
me̝ͅləkpoͅt (L314p Overpelt)
|
melkkannetje waaruit men aan tafel melk schenkt [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34129 |
melkkoe |
melktype:
melktīp (L314p Overpelt),
mɛlktip (L314p Overpelt)
|
Koe die geschikt is voor melkproductie. [N 3A, 148]
I-11
|
| 34098 |
melkspiegel |
melkspiegel:
mɛlkspigǝl (L314p Overpelt)
|
Plaats achter de uier waar de haren in de verkeerde richting liggen. [N 3A, 118d]
I-11
|
| 17624 |
melktanden |
melktanden:
meͅlktān (L314p Overpelt),
melktandjes:
mäləkteͅnt`əs (L314p Overpelt)
|
melktanden [zuiktande, zeuktaant, mammetandjes] [N 10 (1961)]
III-1-1
|