| 21435 |
rijk zijn |
in het geld verdrinken:
verdrinken in ⁄t geld (L314p Overpelt),
rijk zijn:
ps. bij benadering omgespeld volgens IPA.
rīi̯k sīi̯n (L314p Overpelt),
van het geld barsten:
ps. omgespeld volgens IPA.
bōͅrstə(n)} van het geld (L314p Overpelt)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: rijk zijn [rijk zijn, zwemmen in zijn geld, een groot fortuin hebben enz. enz.] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21269 |
rijkdom |
rijkdom:
ri.gdum (L314p Overpelt)
|
rijkdom [RND]
III-3-1
|
| 21597 |
rijke lieden |
rijke lui:
rieke lui (L314p Overpelt),
rijke mensen:
ie rekken
rieke mienschen (L314p Overpelt)
|
Rijke lieden [ZND 30 (1939)]
III-3-1
|
| 21476 |
rijksveldwachter |
bode:
nə boi (L314p Overpelt),
veldwachter:
nə veltwaxtər (L314p Overpelt)
|
een veldwachter [ZND B1 (1940sq)]
III-3-1
|
| 21474 |
rijkswachter |
gendarme (fr.):
eene genderm (L314p Overpelt)
|
Gendarm, rijkswachter. [ZND 35 (1941)]
III-3-1
|
| 20816 |
rijp |
rijp:
rīēp (L314p Overpelt)
|
rijp [RND]
III-2-3
|
| 25187 |
rijp vormen, rijpen |
rijmen:
rijmen (L314p Overpelt),
rimə (L314p Overpelt)
|
vriezen zodanig dat zich rijm op de bomen vormt [rouwvorsten, rijmen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25186 |
rijp, rijmx |
rijm:
rīm (L314p Overpelt),
Rijm.
rim (L314p Overpelt)
|
rijm, bevroren dauw of nevel die zich afzet op de takken [waterrijm, roevros] [N 22 (1963)] || rijm, rijp [ZND B2 (1940sq)]
III-4-4
|
| 33509 |
rijshout, bonenstaak |
boonstaak:
boeënstaak (L314p Overpelt)
|
[ZND 23 (1937)]
I-7
|
| 20737 |
rijstevlaai |
rijstevlaai:
Syst. Frings
rī.zəvlōͅ.i̯ (L314p Overpelt)
|
Vla bedekt met spijs van rijst [N 16 (1962)]
III-2-3
|