| 18400 |
borstrok |
hemdsrok:
hĕĕmdsrok (L290p Panningen),
lijfje:
informant: bij kinderen
liefke (L290p Panningen)
|
borstrok, onderkledingstuk dat over het hemd wordt gedragen [hemdrok, humperok, sjtoep, liefke, slaoplijf] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18603 |
borstrok (voor mannen) |
hemdsrok:
hĕĕmdsrok (L290p Panningen)
|
borstrok voor mannen [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18602 |
borstrok (voor vrouwen) |
lijfje:
liefke (L290p Panningen)
|
borstrok voor vrouwen [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18323 |
borststuk van een schort |
hartje:
hertje (L290p Panningen)
|
borststuk, bovenste deel, ~ van een schort [boezem] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 33968 |
borsttuig |
borstgetuig:
bōrst˲gǝtȳx (L290p Panningen)
|
Trektuig bestaande uit een stel leren riemen, dat wel eens gebruikt wordt in plaats van een haam, als het paard aan de schouders gedrukt is (zie WLD I, afl. 9, p. 111). In een vrij groot aantal opgaven verwijst de benaming voor een deel van het borsttuig naar het geheel, bv. het woordtype borstriem. Het omgekeerde, waarbij de term voor het geheel gebruikt wordt ter aanduiding van een onderdeel ervan, komt minder vaak voor (zie lemma Borstriem). [JG 1b, 1c, 1d, 2c; N 13, 51]
I-10
|
| 29975 |
borstwering |
borstwering:
bōrstwēreŋ (L290p Panningen),
bǫrstwē.reŋ (L290p Panningen),
borstwerk:
bōrstwęrek (L290p Panningen),
leuning:
lø̄neŋ (L290p Panningen)
|
Het 70 tot 100 cm hoge, gemetselde bovenstuk tussen zoldervloer en dak. Zie ook afb. 49a. [N 31, 34e; N 54, 155] || Leuning in de vorm van een plank die op ongeveer 1 meter hoogte boven de steigervloer aan de binnenkant van de staanders wordt bevestigd. Zie ook afb. 18. [N 32, 3f; monogr.]
II-9
|
| 18528 |
borstzak(je) |
schijttasje:
[denominatief van schijten; los van scheet]
sjēttééske (L290p Panningen),
sigarentasje:
segaarentééske (L290p Panningen)
|
pochetzakje, borstzak [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33773 |
bosje haar dat tussen de oren naar voren hangt |
bles:
blēs (L290p Panningen),
top:
tǫp (L290p Panningen)
|
Bosje haar dat van tussen de oren over de kol of het voorhoofd tot over de ogen neerhangt. Zie ook het volgende lemma met bles in de betekenis van een lange, witte streep over de paardekop tot halverwege de neus. Zie afbeelding 2.2. [JG 1a, 1b; N 8, 26; S 27]
I-9
|
| 33771 |
bosje haren aan de bovenlip |
snor:
šnǫr (L290p Panningen)
|
Voelharen aan de bovenlip. [N 8, 24]
I-9
|
| 25749 |
bostel |
zood:
zø̄t (L290p Panningen)
|
De uitgeloogde, niet opgeloste bestanddelen die in de beslag- of klaringskuip achterblijven. [N 35, 48; monogr.]
II-2
|