| 33979 |
stijgbeugels |
stijgbeugels:
stibē.gǝls (L355p Peer)
|
Metalen, van onderen afgeplatte, aan een riem bevestigde ring waarin een ruiter de voet zet om op of af te stijgen en om op te steunen bij het rijden. [JG 1a, 1b]
I-10
|
| 18014 |
stikken |
stikken:
B.v. Stikken is stervenomdat ge giejehnen oasem mieje had.
stikken (L355p Peer)
|
Stikken: sterven door ademgebrek (stikken, verstikken) [N 106 (2001)]
III-1-2
|
| 34018 |
stilstaan |
hou:
hōu̯ (L355p Peer),
prrr:
pr̄ (L355p Peer)
|
Voermansroep om het paard te doen stilstaan. [JG 1b; N 8, 95e en 96; L B 2, 257; L 36, 81e; monogr.]
I-10
|
| 17738 |
stinken |
stinken:
stinken is altijd misselijk, n’import hoe het vanaaf of van voort komt (L355p Peer)
|
Stinken: een vieze reuk van zich geven (stinken, rieken, ruiken , muffen) [N 108 (2001)]
III-1-1
|
| 24565 |
stinkende gouwe |
wrattenbloem:
vrattəbloem (L355p Peer),
wrattenkruid:
wrattenkrou̯t (L355p Peer)
|
schelkruid [ZND 06 (1924)]
III-4-3
|
| 19708 |
stoel |
stoel:
stul (L355p Peer)
|
stoel [ZND 07 (1924)]
III-2-1
|
| 23437 |
stoelen op het priesterkoor |
koorstoelen:
koeerstiel (L355p Peer)
|
De stoelen op het priesterkoor [koeërsjteul?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18775 |
stof |
stof:
stoͅf (L355p Peer)
|
stof [ZND 07 (1924)]
III-2-1
|
| 19659 |
stofblik |
blik:
bleek (L355p Peer),
blèk (L355p Peer),
schupje:
schupken (L355p Peer),
stofblik:
stafblek (L355p Peer)
|
Hoe noemt u het stoffer en blik samen? [N105 (2000)] || stofblik [ZND 21 (1936)]
III-2-1
|
| 19503 |
stofdoek |
stofvod:
stoͅf˃voͅt (L355p Peer),
vod:
voͅt (L355p Peer)
|
een stuk doek dat gebruikt wordt om meubels af te stoffen [ZND 34 (1940)]
III-2-1
|