| 34296 |
tuierhamer |
klophamer:
klophāmǝr (L355p Peer),
tuierhamer:
tē̜i̯ǝrhāmǝr (L355p Peer)
|
De zware, houten hamer waarmee men de tuierpaal in de grond drijft. [N 14, 73b en 74; N 3A, 14h; A 17, 20; monogr.; add. uit N 14, 71; S 15]
I-11
|
| 34293 |
tuierpaal |
tuier:
tęi̯ǝr (L355p Peer),
tuierpaal:
tē̜i̯ǝrpø̜l (L355p Peer),
tęi̯ǝrpø̄l (L355p Peer),
tuierstek:
tē̜i̯ǝrstɛk (L355p Peer)
|
De tuierpaal is een houten of ijzeren paal die men met de tuierhamer in de grond slaat en waaraan de koe of geit wordt vastgebonden. [N 14, 72 en 73a; N 3A, 14h; JG 1c, 2c; L 40, 21a; L B2, 286; A 17, 20; monogr. add. uit N 14, 71]
I-11
|
| 34291 |
tuierplaats |
tuier:
tē̜i̯ǝr (L355p Peer)
|
Cirkelvormig stuk weiland dat een getuierde koe of geit kan afgrazen. [N 14, 72; monogr.]
I-11
|
| 34292 |
tuiertuig |
tuier:
tē̜i̯ǝr (L355p Peer)
|
Het tuiergereedschap in het algemeen. [N 3A, 14h]
I-11
|
| 19772 |
tuin |
hof:
hōf (L355p Peer)
|
hof [ZND 04 (1924)]
III-2-1
|
| 33506 |
tuinbonen |
paardsbonen:
pèertsbone (L355p Peer)
|
I-7
|
| 33542 |
tuinkervel |
kelver:
kelver (L355p Peer),
keͅ.ləvər (L355p Peer),
kervel:
kervel (L355p Peer)
|
[Goossens 1b (1960)]kervel [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 33615 |
tuinman, boomkweker |
boomkweker:
JK Begrip te splitsen? veel samenstellingen met boom- uit RND zijn geconstrueerd; de andere hebben de ruimere betekenis van tuinman.
buəmkwîkər (L355p Peer)
|
[RND 08]
I-7
|
| 19512 |
tuit |
toot:
tōt (L355p Peer)
|
tuit van de waterketel van koper of ijzer en met hengsel en tuit [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34204 |
tussenklauwontsteking |
gescheurde klauw:
gǝsxē̜rdǝ klā (L355p Peer)
|
Door het binnendringen van scherpe voorwerpen zoals spijkers, stenen of strohalmen tussen de klauwen van een koe kunnen kleine wondjes ontstaan. Door infectie kan een pijnlijke zwelling ontstaan, waardoor de klauwen van elkaar kunnen worden gewrongen. Tussenklauwontsteking is vaak een naziekte van mond- en klauwzeer. Zie ook het lemma ''tussenklauwontsteking'' in wbd I.3, blz. 482-483. [N 3A, 81; N 52, 10; A 48A, 14]
I-11
|