| 17887 |
een kuil graven |
een kuil graven:
een koul graven vehr patatten in te bewaren (L355p Peer)
|
Een kuil maken (dappen, graven) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 19112 |
een lastig karakter hebbend |
niet gemakkelijk:
dè is nie gemekkelijk (L355p Peer),
hè is ni gemekkelik (L355p Peer),
hèe is nie gemekkelek (L355p Peer),
niet mak:
hèe is nie mak (L355p Peer),
nie mak (L355p Peer)
|
Hij is niet gemakkelijk, ... niet mak (een lastig karakter). [ZND 38 (1942)]
III-1-4
|
| 18273 |
een paar schoenen |
een paar schoenen:
ə pār schun (L355p Peer),
ə pār sxūən (L355p Peer)
|
een paar schoenen [ZND 06 (1924)]
III-1-3
|
| 31607 |
een paard beslaan |
beslaan:
bǝslű̄ǝn (L355p Peer)
|
Een paard van hoefijzers voorzien. Tijdens het beslaan wordt het paard in de hoefstal van de smidse geplaatst. De hoefsmid verwijdert eerst met behulp van de hoefhamer en de hoeftang het oude hoefijzer. Vervolgens bewerkt hij de hoef door middel van het hoefmes en de hoefrasp. Het nieuwe hoefijzer wordt gewoonlijk warm gepast. Daarvoor wordt het gelijkmatig donkerrood verhit en enige ogenblikken tegen de besneden hoef gehouden. Het ijzer moet overal dicht tegen de hoef passen; aan onverbrande plaatsen onder de hoef kan de smid zien dat deze nog met de hoefrasp moet worden bijgewerkt. Het ijzer wordt met hoefnagels aan de hoef bevestigd. De nagels worden daartoe eerst met behulp van de beslaghamer door de hoef geslagen. Dan worden de uitstekende uiteinden van de hoefnagels met de hoeftang tot op 3 mm afgeknepen. Het gedeelte van de hoefnagel dat nog uitsteekt, wordt vervolgens omgeslagen in een uitholling van de hoef die door middel van de onderkapper is gemaakt. Tot slot wordt de hoef soms nog met de hoefrasp bijgewerkt. [JG 1a; JG 1b; N 100, 17; monogr.]
II-11
|
| 22809 |
een portret laten maken |
zijn portret laten maken:
z`n portret leuten maken (L355p Peer)
|
Zijn portret laten maken (bij de fotograaf). [ZND 40 (1942)]
III-3-2
|
| 21656 |
een prijs vragen |
vragen (voor):
ps. omgespeld volgens Frings.
wa frøͅgdə (L355p Peer)
|
aanbieden, Voor een bepaalde prijs te koop ~ [loven of geloven? zegt men wel: wat looft ge uw kippen = welke prijs vraagt ge ervoor?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 32592 |
een riek mest |
riek (mest):
rek (L355p Peer)
|
Een riek mest is de hoeveelheid mest die men in één keer met de riek kan opnemen. Die hoeveelheid is kleiner naarmate de mest meer verteerd is en daardoor gemakkelijker uiteenvalt. Van de termen die in dit lemma voorkomen, zijn er sommige (ook) van toepassing op een brok of klont mest: een aaneenklevende, weke massa goed verteerde mest. [N M, 12a; JG 1a + 1b + 2c; N 11A, 14; monogr.]
I-1
|
| 23699 |
een rozenhoedje bidden |
rozenhoedje beden:
roeezenhieke beeen (L355p Peer)
|
Een Rozenhoedje bidden [de roozekrans bèèje, ziech der roeëzekrans beëne?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18077 |
een verkoudheid hebben |
een kou hebben:
ich hêm ene kaa oppe borst (L355p Peer)
|
Ik heb een kou op de borst. [ZND 22 (1936)]
III-1-2
|
| 33877 |
een veulen werpen |
veulen:
vē.lǝn (L355p Peer),
v˙ē.lǝn (L355p Peer)
|
Als de weeën toenemen, gaat de merrie liggen. De geboorte begint, als de vliezen breken en het vruchtwater wegloopt. [JG 1a, 1b; N 8, 52]
I-9
|