| 19692 |
hakmes |
hakmets:
hakmets (L387p Posterholt),
heep:
hiêp (L387p Posterholt)
|
hakmes, hiep [Roukens 03 (1937)] || heep (bijl) [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 33153 |
haksel |
haksel:
hɛksǝl (L387p Posterholt)
|
Het kortgehakte stro, op de snijbok of in de hakselmachine, werd vroeger, samen met haver, gekookt en aan de beesten gevoerd. Als het iets grover gesneden was werd het ook wel als strooisel in de potstal gebruikt. Zie ook het lemma ''bussel kort stro'' (6.1.29). Zie voor de fonetische documenatie van het woorddeel [stro] het lemma ''stro'' (6.1.24). [JG 1b, 2c; L 1, a-m; L 26, 11; S 12; Wi 51; monogr.]
I-4
|
| 30905 |
hakspijker |
rivet:
(mv)
rivɛts (L387p Posterholt)
|
Eén van de spijkertjes die men gebruikt bij het maken van de hak. [N 60, 200e; N 60, 235b; N 60, 235; N 60, 200a; N 60, 202c]
II-10
|
| 17810 |
halen |
halen:
holen (L387p Posterholt)
|
halen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 32034 |
halfhoutse hoekverbinding |
halfhoutsoverkeping:
halǝfhǫwts˱ȳǝvǝrkīǝpeŋ (L387p Posterholt),
halfhoutsverbinding:
halǝfhǫwts˲vǝrbenjeŋ (L387p Posterholt),
halfhoutverbinding:
hāfhǫwt˲vǝrbejeŋ (L387p Posterholt)
|
Verbinding, waarbij twee stukken hout onder een hoek met behulp van een lip met elkaar verbonden worden. Zie ook afb. 130. Beide delen worden door middel van lijm, houtschroeven, spijkers of houten nagels vastgezet. [N 54, 51a]
II-12
|
| 23622 |
halfmis |
halvermis:
halvermes (L387p Posterholt)
|
Het moment waarop de mis op de helft is, wat de duur betreft [halfmis, hauvermès?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23342 |
halfvasten(zondag) |
halfvasten:
half-vaste (L387p Posterholt),
halfvaste (L387p Posterholt)
|
De vierde zondag van de vasten [haufvaste, halfvaste, körfkeszoondig]. [N 96C (1989)] || Het feest van Sinter-Greef (half vasten) [grevin, greve, miknem]. [N 88 (1982)]
III-3-3
|
| 32987 |
halm, stengel van de graanplant |
halm:
halǝm (L387p Posterholt)
|
De graanhalm is de meestal ronde en gelede stengel van de te velde staande graanplant. Hier het algemene woord, dat veelal ook de benaming voor de gehele graanplant is. Een aantal termen (bv. spier, spit, ...) wordt niet alleen gebruikt voor de stengel van de te velde staande graanplanten, maar ook -en blijkens een niet gering aantal aar-opgaven wellicht nog meer- voor de geoogste en gedorste graanstengels, de strohalm; zie de toelichting bij het volgende lemma ''strohalm'' (1.3.2). Veelal zijn ze ook toepasselijk op de grasspriet (zie het lemma ''grasspriet'' (1.5) in aflevering I.3), enkele zelfs op de graankorrel (zie het lemma ''graankorrel'' (2.6) in deze aflevering). Voor een aantal plaatsen werd het tweelettergrepige ''spieren'' als enkelvoud opgegeven. Zie afbeelding 2, a. [N P, 4b; JG 1a, 1b; L 1, a-m; S 12; Wi 13; monogr.]
I-4
|
| 17627 |
hals |
hals:
hals (L387p Posterholt),
halzen (L387p Posterholt),
hàls (L387p Posterholt)
|
hals [DC 01 (1931)], [SGV (1914)] || halzen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 18255 |
halsketting |
ketting:
ein golje ketting (L387p Posterholt)
|
gouden [een - ketting] [SGV (1914)]
III-1-3
|