| 17942 |
ijsberen |
naar hot en haar lopen:
nao (h)ot en (h)aar loupe (Q032a Puth)
|
lopen: zenuwachtig heen en weer lopen [drentele] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 18639 |
ijsmuts |
ijsmuts:
īēsmötsch (Q032a Puth)
|
ijsmuts [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 25154 |
ijspegel |
ijspegel:
īēspeegele (mv.) (Q032a Puth)
|
ijspegels aan het dak of aan de vensterbanken [ijskeekels, -pinnen, -kikkels, kakels] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 24174 |
ijsvogel |
ijsvogel:
īēsvogel (Q032a Puth)
|
ijsvogel (16,5 schitterend blauwgroen boven, steenrood onder; vliegt snel over beek, sloot en langs ven; broedt in gat in steile over; vangt visjes; vrij zeldzaam [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 25134 |
ijzel, bevroren neerslag |
ijsregen:
īēsrê(n)ge (Q032a Puth),
ijzel:
īēzel (Q032a Puth)
|
ijzel, onderkoelde regen waarvan de straten spiegelglad worden [heezel, hijzel] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25157 |
ijzelen |
ijzelen:
iezele (Q032a Puth),
īēzele (Q032a Puth)
|
ijzelen [N 22 (1963)], [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 32767 |
ijzeren eg |
ijzeren [eg]:
īzǝrǝ [eg] (Q032a Puth)
|
De drie- of vierhoekige eg waarvan zowel het geraamte als de tanden van ijzer waren; zie afb. 55 en 56. Waar zulk een eg als onkruideg en/of als zaadeg diende, is vermeld in de betrokken lemmata verderop. De vorm die de ijzeren eg ter plaatse kon hebben, is hieronder voorgesteld door de tekens ∆ en vierkant. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men de toelichting bij het lemma ''eg''.' [JG 1a + 1b add.; N 11, 70 + 71 + 72 add.; N 11A, 161; N J, 10; A 13, 16b; monogr.]
I-2
|
| 32907 |
ijzeren gaffel, oogstgaffel |
gaffel:
gafǝl (Q032a Puth),
hooigaffel:
[hooi]gafǝl (Q032a Puth),
langgaffel:
laŋgafǝl (Q032a Puth),
oogstgaffel:
au̯s˲gafǝl (Q032a Puth),
ǫu̯xs˲gafǝl (Q032a Puth)
|
Twee- of drietandige ijzeren vork, met lange, enigszins gebogen tanden en een lange houten steel, gebruikt om hooi of korenschoven op te steken en op de wagen te laden. Zie afbeelding 10, b. Voor het voorkomen van de term riek en van varianten van het type gāfel, zie de toelichting bij het lemma ''houten gaffel''. Voor de fonetische documentatie van het woorddel (hooi) zie het lemma ''hooi''.' [N 18, 27; JG 1a, 1b; A 28, 2; L 1 a-m; L 16, 18a; L B2, 241; Lu 6, 2; S 9; Wi 3; Av 1 III 5a, b; monogr.]
I-3
|
| 18348 |
ijzertje onder een schoen |
ijzertje:
iezerke (Q032a Puth)
|
ijzertje onder de schoen [blakei] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21334 |
illustratie |
illustratie (<fr.):
illustrasje (Q032a Puth)
|
illustratie [SGV (1914)]
III-3-1
|