| 33387 |
getuigkast |
tuigkamer:
tȳxkāmǝr (Q032a Puth
[(bij deftige mensen)]
),
tuigkast:
tȳxkas (Q032a Puth)
|
Een kast, ook wel kist of bak, waarin het getuig van het paard (vooral het kostbare zadel en de haam) bewaard wordt. Op grote boerderijen (of bij welvarende mensen) is er wel eens een apart vertrek voor het getuig, maar dit komt slechts zelden voor. Een kast voor het paardetuig is onbekend in L 320a, 324, 330, 369, Q 113, 198b en 203b. Meestal hangt men het getuig aan haken of balkjes in de muur (K 278, L 271, 318, 322, 372, 413, 429a, P 107a, Q 4, 78, 111 en 193). In L 282 wordt het getuig op een ezel gelegd. Benamingen die niet een kast, kist of bak betreffen, zijn overgeplaatst naar het lemma "getuigrek" (2.3.8). Zie ook dat lemma. [N 13, 81]
I-6
|
| 33388 |
getuigrek |
haak:
(mv)
hø̜̄k (Q032a Puth)
|
Het zwaardere paardetuig wordt meestal opgehangen aan de muur aan een rek, zware stokken, haken, knuppels, balkjes etc. Het kan ook op een plank gelegd worden. De benamingen geven vaak aan om welke mogelijkheid het gaat. Benamingen die naar een kast of kist verwijzen, zijn overgeplaatst naar het lemma "getuigkast" (2.3.7). Zie ook dat lemma. [N 5A, 59e; add. uit N 13, 81]
I-6
|
| 21322 |
gevangenis |
gevangenhuis:
gevangenhoes (Q032a Puth)
|
gevangenis [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 17808 |
geven |
geven:
ge͂ve (Q032a Puth)
|
geven [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17790 |
gevoelig (zijn) |
gevoelig:
geveulig (Q032a Puth)
|
gevoelig [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 32966 |
gewas |
gewas:
gǝwas (Q032a Puth)
|
Collectief voor hetgeen verbouwd of geteeld wordt op het veld. [L 1, a-m; S 20; monogr.]
I-4
|
| 19381 |
gewelf |
gewelf:
gǝwø̜lǝf (Q032a Puth)
|
Gebogen vlak, samengesteld uit bakstenen, dat de overdekking vormt van een ruimte die wordt omsloten door muren of pijlers. Zie ook de lemmata 'Troggewelf' en 'Tongewelf'. [S 10; L 1 a-m; L 24, 12; N 79, 18; monogr.]
II-9
|
| 17564 |
gewricht |
gewerf:
gewerf (Q032a Puth),
gewricht:
(gewricht) (Q032a Puth),
gevrieg (Q032a Puth)
|
gewricht [SGV (1914)] || gewricht, gewrichten (draaipunt in het beenderstelsel) [gewrichte, gewervele, gewerve] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17588 |
gezicht |
gezicht:
geziech (Q032a Puth),
gezíg (Q032a Puth)
|
gezicht [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 17589 |
gezicht (spotnamen) |
gevreets:
gevrêêts (Q032a Puth),
muil:
B.v. how m op de moel.
mōē.l (Q032a Puth),
snuits:
sjnōē:ts (Q032a Puth)
|
gezicht, gelaat: spotbenamingen [N 10 (1961)]
III-1-1
|