| 20505 |
een borrel drinken |
proeven:
preuve (L299p Reuver),
prêuvə (L299p Reuver)
|
jenever drinken; Hoe noemt U: Jenever drinken (proeven, likken) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 22484 |
een cadeau geven |
schenken:
sjinke (L299p Reuver),
sjinkə (L299p Reuver)
|
Kado geven [schenken, besteken]. [N 89 (1982)]
III-3-2
|
| 29088 |
een draad om het knoopsgat naaien |
omwerpen:
omwɛrpǝ (L299p Reuver)
|
Een draad om het knoopsgat naaien tegen het uitrafelen. [N 59, 139]
II-7
|
| 34541 |
een ei afpellen |
(de) schaal deraf doen:
dǝ šāl dǝrāf dōn (L299p Reuver),
schellen:
šęlǝ (L299p Reuver)
|
Een ei van de schaal ontdoen. [N 19, 55b; A 39, 9b]
I-12
|
| 23950 |
een gelofte doen |
beloven:
belaove (L299p Reuver),
gelofte doen:
gelofte doon (L299p Reuver)
|
Een gelofte doen, afleggen bijv. om op bedevaart te gaan [gelaove, jelobe]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 31848 |
een groef schaven |
groeven schaven:
gruvǝ šāvǝ (L299p Reuver)
|
In het algemeen met behulp van een ploegschaaf groeven aan planken schaven. Zie ook het lemma ɛploegenɛ in wld II.9, pag. 158.' [N 53, 95; monogr.]
II-12
|
| 19855 |
een huis huren |
huren:
hy(3)̄rə (L299p Reuver)
|
huren [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 20175 |
een kind op de arm dragen |
op de arm dragen:
op de erm drage (L299p Reuver)
|
een kind op de arm dragen [peizen] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 23755 |
een kruisje geven |
een kruisje geven:
kruutske gaeve (L299p Reuver, ...
L299p Reuver)
|
Een kind voor het slapen gaan met de duim een kruisje geven op het voorhoofd. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23707 |
een kruisje op het brood maken |
brood zegenen:
brooed zaegene (L299p Reuver)
|
Het gebruik om een brood met het mes te bekruisen, voordat men het aansnijdt; men maakte met het broodmes een kruisje aan de onderkant van het brood [n kruuske ónder de mik maake?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|