| 28925 |
gaatjestang |
gaatjestang:
gē̜tjǝstaŋ (L299p Reuver)
|
Met deze tang maakte men door middel van een holpijpje aan de bovenste zijde van de tang of door middel van een wieltje met verschillende holpijpjes ronde gaatjes voor de knoopsgaten. De informant van L 416 had een tang met 6 tandjes om verschillende gaten te maken. De informant van Q 198 kende geen gaatjestang. [N 59, 30a]
II-7
|
| 28762 |
gabardine |
gabardine:
gabǝdin (L299p Reuver)
|
Wollen, halfwollen, katoenen of zijden stof met hoogliggende, steile keper, waterdicht gemaakt voor regenkleding (Van Dale, pag 804). [N 62, 87; N 62, 98; N 59, 201; N 62, 75f; MW; monogr.]
II-7
|
| 21314 |
galgenaas |
galgenaas:
galgenoas (L299p Reuver)
|
galgenaas [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 23265 |
galmgaten |
galmgaten:
galmgate (L299p Reuver, ...
L299p Reuver)
|
De open vensters in de klokketoren, waardoor het geluid van de klok(ken) naar buiten galmt [schalvensters, almsgatter, galmgaten?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24650 |
galnoot |
galnoot:
galnoot (L299p Reuver)
|
De nootvormige uitwas aan de bladeren van eikebomen ontstaan door de steek van galwespen (galnoot, galappel, smouterenbol, kraaiappel, inktappel, gastappel). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 19375 |
gang |
gang:
gank (L299p Reuver, ...
L299p Reuver)
|
De doorloop in een huis die de huisdeur met de vertrekken verbindt (gang, vloer, corridor, leid) [N 79 (1979)] || gang [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 34548 |
gans |
gans:
gans (L299p Reuver),
gās (L299p Reuver)
|
[A 2, 42; A 6, 5a; A 6, 5b; A 6, 5c; S 9; L 1a-m; L 1, 58; JG 1a, 1b, 1c, 1d; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 20305 |
garde |
uitklopper:
oetklopper? (L299p Reuver)
|
gard [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 28847 |
garen |
garen:
gārǝ (L299p Reuver)
|
Gesponnen draad in het algemeen. Het garen kan gemaakt worden van allerlei vezels, bijv. katoen, wol, zijde en linnen. [N 62, 55a; N 59, 6a; L 1a-m; L 7, 58; L 17, 4; L 28, 14; L A1, 18; L B1, 69; L B1, 80; MW; S 7; monogr.]
II-7
|
| 28862 |
garenklosje, garenpijpje |
klosje:
klø̜skǝ (L299p Reuver),
pijpje:
pipkǝ (L299p Reuver)
|
Doorboord klosje waarop het garen is gewonden of pijpje waarop het garen zit. [N 59, 9; N 62, 56a; N 62, 56b; Gi 1.IV, 23; MW; monogr.]
II-7
|