| 18805 |
uitdenken |
bedenken:
bedách (L299p Reuver),
prakkiseren:
prákkəzeerə (L299p Reuver),
uitprakkiseren:
oetprakkezere (L299p Reuver)
|
door nadenken ontwerpen; verzinnen [uitfineren, figeleren, uitprakkezeren, bedenken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 29891 |
uitdragen |
uitdragen:
ūt˱drāgǝ (L299p Reuver)
|
De pannen na het bakproces uit de oven halen. Zie ook het lemma ɛde oven leeghalenɛ.' [monogr.]
II-8
|
| 25567 |
uitdrogen |
uitdrogen:
ūtdrø̄gǝ (L299p Reuver)
|
Gezegd van slecht deeg. [N 29, 29c; monogr.]
II-1
|
| 33185 |
uiteen poten |
wijd uitereen:
wit utǝręi̯n (L299p Reuver)
|
De pootaardappelen verder uiteen zetten dan men gewoonlijk doet. Bij de bijwoordelijke uitdrukkingen in dit lemma moet steeds het werkwoord voor "poten": ɛpoten, plantenɛ of ɛzettenɛ, worden toegevoegd; zie daartoe het lemma Poten. [N M, 18b]
I-5
|
| 21827 |
uiten |
uiten:
ōētə (L299p Reuver),
ùùtə (L299p Reuver)
|
uitspreken; te kennen geven [uiten, uiteren, lossen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 29007 |
uiteren |
uiteren:
ytǝrǝ (L299p Reuver)
|
Een naad aan de bovenzijde overnaaien, zodat hij onzichtbaar wordt. Zie afb. 43. [N 59, 59; monogr.]
II-7
|
| 21443 |
uitgaan |
op de lappen gaan:
op təllappə gaon (L299p Reuver),
uitgaan:
oetgaon (L299p Reuver)
|
uitgaan, cafés bezoeken, aan de zwier gaan [lelijkeren, op de scheut gaan] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 24996 |
uitgieten |
schudden:
sjöddə (L299p Reuver),
storten:
sjtortə (L299p Reuver),
uitgieten:
oetgete (L299p Reuver)
|
een vloeistof al gietende doen vloeien uit een kan, fles etc. [storten, plassen, klassen, schenken, uitgieten] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 17854 |
uitglijden |
uitlitsen:
ōētlitse (L299p Reuver)
|
uitglijden [ötschampe, uitslibbere, uitschuive] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 28972 |
uithalen van de doorslagsteken |
uittrekken:
ūttrękǝ (L299p Reuver)
|
Het verwijderen van de doorslagsteken. [N 59, 51b]
II-7
|