| 20216 |
broeder |
broeder:
broeder (L299p Reuver, ...
L299p Reuver),
broor (L299p Reuver)
|
broeder [SGV (1914)] || Een lager lid van een kloosterorde die geen kerkelijke wijding bezit, broeder [bruur, broeder]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23228 |
broeder-onderwijzer |
broeder:
broeder (L299p Reuver)
|
Een broeder onderwijzer, frater [fra, sjefra]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23317 |
broederschap |
broederschap:
broederschap (L299p Reuver)
|
broederschap [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 24115 |
broederschap van de heilige kindsheid |
heilige kindsheid:
heilige kinsheid (L299p Reuver)
|
De broederschap van kinderen die als doel had de heidense kinderen, vooral die in China, op te voeden, Broederschap der H. Kindsheid [Hèllige Kinsheid]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 34502 |
broeds |
broeds:
brø̄ts (L299p Reuver)
|
Op de vraag "Wat zegt u tegen "broeds" in uw dialect?" antwoordt een aantal informanten met een omschrijving. Deze antwoorden vindt men terug onder de als werkwoord aangeduide woordtypen. [N 19, 43b; L 22, 22; S 5; monogr.]
I-12
|
| 33614 |
broeibak |
broeibak:
breujbak (L299p Reuver)
|
[SGV (1914)]
I-7
|
| 18540 |
broek met split |
boks met een gulp:
bôks met ein gölp (L299p Reuver)
|
een broek met een slip aan de voorkant [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 24134 |
broek, veren aan de poten |
veren:
vééərə (L299p Reuver)
|
veren aan de poten van een vogel (scherkes) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 18197 |
broek: algemeen |
boks:
boks (L299p Reuver),
bóks (L299p Reuver),
doe löps auch altiëd met ein aafgezakde boks (L299p Reuver),
(oo; kort houden).
books (L299p Reuver)
|
broek (kleedingstuk) [SGV (1914)] || broek in het algemeen [boks, sjmeek, brits] [N 23 (1964)] || Broek. (Moeder zei tegen kleine Kees:) Jij loopt ook altijd met een afgezakte broek! [DC 39 (1965)]
III-1-3
|
| 28728 |
broekenmaker |
boksenmaker:
bōksǝmē̜kǝr (L299p Reuver)
|
Persoon die alleen maar broeken maakt. Het woordtype stukwerker duidt op een persoon die niet uitsluitend broeken maakt. [N 59, 195b]
II-7
|