| 17819 |
staan |
staan:
schtaon (L293p Roggel)
|
staan [DC 02 (1932)]
III-1-2
|
| 20125 |
staart |
spitse kant:
špetsǝ kanjtj (L293p Roggel),
staart:
stert (L293p Roggel),
stɛrt (L293p Roggel, ...
L293p Roggel)
|
[A 2, 37; L 29, 27; S 35; monogr.]De scherpe kant van de hamer waarmee men de groef dichtmaakt. [N 60, 114b] || staart [DC 02 (1932)] || Zie afbeelding 2.37. [JG 1a, 1b; RND 60]
I-11, I-9, II-10, III-4-2
|
| 23690 |
stabat mater |
kruisweggezang:
kruutsweiggezang (L293p Roggel)
|
Het kruisweggezang "Stabat Mater Dolorosa". [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21272 |
stad |
stad:
stat (L293p Roggel)
|
stad [RND]
III-3-1
|
| 28377 |
stal |
stal:
stal (L293p Roggel)
|
Een ruimte in het algemeen, die onderdak biedt aan vee. De benamingen kunnen zowel het gebouw, als de ruimte daarbinnen betreffen. Meestal wordt kortheidshalve van "de stal" gesproken, als men het veeverblijf en met name de koestal bedoelt. [JG 1a en 1b; Wi 11; S 50; L A1, 4; RND 97; monogr.; add. uit N 5A, passim]
I-6
|
| 24728 |
stam van de knotwilg |
stok:
stok (L293p Roggel, ...
L293p Roggel)
|
de ± 2 m. hoge stam van de knotwilg [DC 13 (1945)] || knotwilgstam [DC 13 (1945)]
III-4-3
|
| 31120 |
stand |
staan:
štǭn (L293p Roggel)
|
Het met zool en hak recht op de grond staan, gezegd van schoeisel. [N 60, 225a]
II-10
|
| 22730 |
standbeeld |
standbeeld:
stantbe.lṭ (L293p Roggel)
|
standbeeld [RND]
III-3-2
|
| 31115 |
stapelwerk |
voorraad:
vø̜̄rrǭt (L293p Roggel)
|
De voorraad gangbare, goedkope schoenen die men in slappe tijden aanlegt en voorlopig opslaat. [N 60, 224]
II-10
|
| 33847 |
stapvoets gaan |
(stapvoets) gaan:
gǭn (L293p Roggel)
|
De langzaamste gang van het paard (stap, draf, galop) waarbij de vier voeten in de volgende volgorde opgeheven en weer neergezet worden: links achter, links voor, rechts achter, rechts voor, links voor, rechts achter, rechts voor en links achter. Zijn de vier hoefslagen niet duidelijk hoor- en zichtbaar, dan noemt men de stap onregelmatig. Zie afbeelding 8. [N 8, 81a]
I-9
|