23367 |
kerkstoel |
kerkstoel:
kirksteul (L293p Roggel)
|
Kerkstoelen, de stoelen (met of zonder opklapbare zitting) waarop men zowel kan knielen als zitten [kerksteul, -stoele?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
23235 |
kerktoren |
klokkentoren:
klokketoare (L293p Roggel)
|
De toren van de kerk, waarin zich de klokken bevinden [kèrktaore, -taon, -toer, klokketoren?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
24182 |
kerkuil |
kerkuil:
krèèkuul (L293p Roggel)
|
kerkuil
III-4-1
|
22803 |
kermis |
kermis:
kirremes (L293p Roggel),
kirəməs (L293p Roggel)
|
kermis [GTRP (1980-1995)], [RND]
III-3-2
|
34077 |
kern |
sluik:
sluk (L293p Roggel)
|
Uitsteeksel dat komt bloot te liggen, wanneer de koe een hoorn afstoot. [A 4, 15; L 20, 15]
I-11
|
32783 |
kettingeg, weide-eg |
ketting[eg]:
kęteŋ[eg] (L293p Roggel)
|
De kettingeg bestaat uit een vier-, soms driehoekig raam of slechts uit een losse voor- en achterbalk, waartussen kettingen gespannen zijn. Aan deze kettingen zijn korte en lichte tanden bevestigd. Zie afb. 13 en 14. Met de kettingeg wordt voornamelijk licht werk verricht. Het bekendst is het gebruik als weide-eg. Men bewerkt de weide met de kettingeg om de grasmat luchtiger te maken, om mest te verspreiden en molshopen te slechten. Men kan de kettingeg ook gebruiken om gerooide en in panden gelegde suikerbieten van de aanklevende aarde te ontdoen. Soms wordt met de kettingeg ook akkerland bewerkt. Van enige termen aan het einde van het lemma vindt men de plaatselijke varianten in het lemma ´akkersleep, weidesleep´ vermeld. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men de toelichting bij het lemma ''eg''. [JG 1a + 1b + 2c; A 13, 16b; A 40, 10; N 11, 72e + 71 add.; N 11A, 163a + 181f; N 14, 81 add.; N J, 10; N P, 18b; monogr.]
I-2
|
24334 |
kever, tor |
kever:
kaever (L293p Roggel)
|
kever, tor [DC 30 (1958)]
III-4-2
|
24183 |
kiekendief |
kuikendief:
kuukedeef (L293p Roggel)
|
kiekendief
III-4-1
|
18208 |
kiel |
kieltje:
keelke (L293p Roggel),
paletot (fr.):
palto (L293p Roggel)
|
Hoe noemt men de (korte) werkjas? [DC 09 (1940)] || Korte werkjas, kiel. Hoe noemt men het kledingstuk, in de regel van blauw, soms van grijs katoen, een enkele maal ook wel van een andere kleur, dat hoofdzakelijk door boeren en landarbeiders, in het werk wordt gedragen? Het kledingstuk valt ruim om het li [DC 14A (1946)]
III-1-3
|
17764 |
kies |
baktand:
bàktàndj (L293p Roggel)
|
kies [DC 01 (1931)]
III-1-1
|